Zien
(zag, heeft gezien), I. onoverg., 1. het vermogen hebben met het oog waar te nemen, zijn gezicht hebben of zulk een als een bep. uitdrukt : grotbewoners kun?ien niet of slecht zien ; ik kan uit dat ene oog niet zien ; hij ziet scherp ; hij begint slecht te zien, zijn gezichtsvermogen wordt zwak ; duidelijk zien ; slechts van nabij...