Wat is de betekenis van ziek?

2024-07-18
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-07-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

ziek

1) (2002) (straattaal) goed, leuk, indrukwekkend. • Ziek: tof, mooi, goed. (Vanavond feessie! Ziek!) (Marc van Oostendorp: Rotterdams. Taal in stad en land. 2002) • Straattaal weerspiegelt de belevingswereld van de jongeren die haar gebruiken. En waar praten die over? Over dingen die ze goed of slecht vinden, over uitgaan, uiterlijk en s...

2024-07-18
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

ziek

ziek - Bijvoeglijk naamwoord 1. (medisch) zich bevindend in een toestand waarbij sommige lichamelijke processen niet goed werken, niet gezond zijnd ziek - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken ♢ Ik ziek 2. gebiedende wijs van zieken ...

2024-07-18
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

ziek

ziek - bijvoeglijk naamwoord 1. je naar voelen omdat er iets met je lichaam niet in orde is ♢ hij ligt in bed, hij is ziek 1. zo ziek als een hond [erg ziek] 2. ik word er ziek...

2024-07-18
Kuifje in Vlaanderen

Michel Uyen

ziek

in hetzelfde bedje ziek zijn (hetzelfde gebrek hebben)

2024-07-18
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

ziek

zie vallen.

2024-07-18
Lesbotaal Lexicon Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal

Hanneke Kunst en Xandra Schutte (1991)

Ziek

Ziek - lesbisch; ironisering van verouderde uitdrukking waarin het afwijkende, ongezonde van homoseksualiteit centraal staat. Ook verbasterd tot sjiek. Ook besmet. Zie ook gehandicapt.

2024-07-18
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

ziek

ziek - Een fundamentele onvolkomenheid van glas die wordt veroorzaakt door een onjuiste verhouding van de bestanddelen, in het bijzonder door een teveel aan alkali, en die wordt gekenmerkt door een netwerk van fijne scheurtjes en de vorming van vochtplekken op het oppervlak.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-07-18
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

ziek

bn., (ook, ironisch:) dwaas, gek. Ach man, je bent ziek! -: ziek in zijn hoofd, gek, krankzinnig.