Wat is de betekenis van ziek?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ziek

ziek - Bijvoeglijk naamwoord 1. (medisch) zich bevindend in een toestand waarbij sommige lichamelijke processen niet goed werken, niet gezond zijnd ziek - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken ♢ Ik ziek 2. gebiedende wijs van zieken ...

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ziek

ziek - bijvoeglijk naamwoord 1. je naar voelen omdat er iets met je lichaam niet in orde is ♢ hij ligt in bed, hij is ziek 1. zo ziek als een hond [erg ziek] 2. ik word er ziek...

Lees verder
1991
2021-01-19
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Ziek

Ziek - lesbisch; ironisering van verouderde uitdrukking waarin het afwijkende, ongezonde van homoseksualiteit centraal staat. Ook verbasterd tot sjiek. Ook besmet. Zie ook gehandicapt.

Lees verder
1990
2021-01-19
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

ziek

ziek - Een fundamentele onvolkomenheid van glas die wordt veroorzaakt door een onjuiste verhouding van de bestanddelen, in het bijzonder door een teveel aan alkali, en die wordt gekenmerkt door een netwerk van fijne scheurtjes en de vorming van vochtplekken op het oppervlak.

1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

ziek

bn. (-er, -st), 1. lichamelijk ongesteld, zich bevindend in de toestand dat de levensprocessen niet regelmatig en ongestoord verlopen, dat niet alle organen goed werken: zich — melden; een — oog; (fig.) zich — lachen, onmatig lachen, zodat men pijn begint te voelen; iemand — maken, hem in de hoogste graad ergeren of vervelen...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Ziek

bn. (-er, -st), 1. ongesteld, zich bevindende in de toestand dat de levensprocessen niet regelmatig en ongestoord verlopen, dat niet alle organen goed werken, krank : ik ben, gevoel mij ziek ; ernstig, bedenkelijk, gevaarlijk ziek liggen ; — (Barg.) ziek liggen, in de gevangenis zitten ; — de Zieke Man, in de 19de E...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZIEK

ZIEK, bn. (-er, -st), ongesteld, onpasselijk, toestand van het lichaam of één of meer lichaamsdeelen, wanneer niet alle organen goed werken : ik ben, gevoel mij ziek; een ziek oog; een ziek lichaamsdeel; ernstig, bedenkelijk, gevaarlijk ziek liggen; — zieke planten; — zieke aardappelen, die aangestoken zijn; — na h...

Lees verder