Ziek
bn. (-er, -st), 1. ongesteld, zich bevindende in de toestand dat de levensprocessen niet regelmatig en ongestoord verlopen, dat niet alle organen goed werken, krank : ik ben, gevoel mij ziek ; ernstig, bedenkelijk, gevaarlijk ziek liggen ; — (Barg.) ziek liggen, in de gevangenis zitten ; — de Zieke Man, in de 19de E...