Zetten
(zette, heeft gezet), I. overg., 1. doen zitten : zet het kind op uw schoot; een zieke in een leunstoel zetten : een kip op eieren te broeden zetten, eieren laten uitbroeden ; zich zetten, gaan zitten ; — (meest Zuidn.) zei u, neem plaats; iem. te paard zetten, op het paard helpen, (fig.) hem voorthelpen ;...