Wat is de betekenis van zet?

2019
2021-09-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zet

zet - Zelfstandignaamwoord 1. een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stoot Ik hem hem een zet gegeven. 2. (spel) een handeling gedurende een spelbeurt Bij schaken heeft wit de eerste zet. zet - Werkwoord 1. enkelv...

Lees verder
2018
2021-09-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zet

zet - zelfstandig naamwoord 1. met de hand opzij verplaatsen ♢ als je die paal een zet geeft, valt hij zo om 1. iemand een zetje in de goede richting geven [hem helpen] 2. he...

Lees verder
1973
2021-09-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zet

m. (-ten), 1. het zetten; (m.n.) het verplaatsen van een stuk op het speelbord: wie is aan of aan wie is de —?; een — doen; 2. duw, stoot, ruk: iemand een — geven, zodat hij valt; (fig.) iemand een — geven, een steek onderwater; 3. gevatte opmerking: een geestige —, woordspeling, snedig gezegde; 4. verstandige daad:...

Lees verder
1958
2021-09-23
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

ZET

(Fr.: set). Iets dat gezet, opgesteld is. Meestal kleine landbrug met los opneembaar, uit twee of meer delen bestaand houten rijdek. Plaats waar mensen of vee over een water kunnen gaan. Er zijn bartesetten (zie Barte), oersetten, setten mei in draei (z Draai), tichtsetten, tynjesetten (zie Tynje). zie Bruggen, Dichtzetvisserij.Zie: J. Winkler, Fr...

Lees verder
1952
2021-09-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zet

s., set.

1950
2021-09-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zet

m. (-ten), 1. het zetten ; — (in ’t bijz.) het verplaatsen van een stuk op het schaakbord : aan wie is de zett, wie moet zetten ? ; — fig., als iets moeilijks : dat zal een hele zet voor hem wezen, een moeilijk werk ; 2. een keer zetten, een enkele handeling van zetten ; in ’t bijz. bij het schaken : een ze...

Lees verder
1898
2021-09-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZET

ZET, m. (-ten), het zetten; het schuiven van eene stuk op het schaakbord : dat was een mooie, een fijne zet; aan wien is de zet %, wie moet zetten ? ; — (fig.) een moeilijk werk : dat zal een heele zet voor hem wezen; — duw, stoot, ruk : iem. een zet geven, zoodat hij valt; — (fig.) iem. een zet geven, een steek onder water; &m...

Lees verder