Zes
I. telw., 1. hoofdtelw., zelfst. en bijv., vijf plus één : twee maal drie is zes ; dat kost zes gulden ; iedere aflevering bestaat uit zes vel ; — als pronomen : het waren er zes-, 2. zelfst. en pronominaal gebruikt in de verb. vorm zessen : zes personen : jullie zessen ; wij zijn met zijn (ons) zessen ; deel dit o...