Wat is de betekenis van Zeik?

2020
2021-06-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

zeik

urine. door de nieren afgescheiden vloeistof, waarin voor het lichaam van mens en dier niet meer bruikbare stoffen opgelost zijn en afgevoerd worden; urine. Voorbeelden: Zeik is een bijtend vleesetend vleesverterend zuur. Als ge drie avonden na elkaar in uw broek pist [...], vergaat ge van de pijn en de jeuk en het eczema aan de binn...

Lees verder
2019
2021-06-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zeik

zeik - Zelfstandignaamwoord 1. urine die koffie smaakt naar uilenzeik zeik - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeiken ♢ Ik zeik 2. gebiedende wijs van zeiken zeik! 3. (bij...

Lees verder
2018
2021-06-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zeik

zeik - zelfstandig naamwoord 1. gele vloeistof die via je blaas het lichaam verlaat ♢ er lag allemaal zeik op de vloer 1. in de zeik nemen [voor de gek houden, in de maling nemen] Zelfstandig naam...

Lees verder
2017
2021-06-20
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Zeik

Zeik - over de zeik gaan: ergens kwaad om worden. Syn.: over de rooie gaan. Thans ook buiten soldatenkringen gehoord. Dat maakt mij de zeik niet lauw: daar ga ik mij beslist niet over opwinden.

1998
2021-06-20
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zeik

zie ook dat maakt mij de pis/pies niet lauw: 1 in de - nemen,/zetten; door de - halen, bedonderen, voor de gek houden. Ook wel ‘belachelijk maken; afkammen’. Informele uitdr., wellicht afkomstig uit Rotterdam (o.a. vermeld in Oudenaarden 1986). ... een man met een snor werd in de zeik gezet omdat hij een lui was. (Rinus Ferdinandusse: De bloedkora...

Lees verder
1997
2021-06-20
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

zeik

In Leiden noteerde ik op 10 oktober 1999 de verwensing krijg de zeik!, die ergernis, teleurstelling en verachting uitdmkt. zie vallen.

1990
2021-06-20
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

zeik

zeik - Vloeibare tot halfvaste stof die wordt gemaakt in de nier en wordt afgevoerd door de urineorganen.

1973
2021-06-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zeik

m., (plat) pis; in samenst. als verachtelijke kwalificatie; (gew.) aal, gier; ook in samenst,: —bak, —kar, —kuip enz.

1950
2021-06-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zeik

v., 1. (plat) pis; 2. (Zuidn.) aal, gier; ook in samenst.: ZEIKBAK, ZEIKKAR, ZEIKKUIP enz.; ZEIKNAT, bn., (plat) drijfnat..

Lees verder
1949
2021-06-20
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

zeik

pis. Stinken naar de zeik.

1898
2021-06-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZEIK

ZEIK (plat), v. pis.