Wat is de betekenis van zaterdags?

2022
2023-02-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

zaterdags

(1840) (inf.) drommels. Verbastering van 'satan' of 'sater'. 'Die zaterdagse jongen.' • Zaterdags: drommels, erg. Hij heeft mij zaterdags gefopt geeft Koenen' in de editie 1906 aan, waarbij het géén verwijzing naar de gelijknamige dag van de week betreft. Dat 'zaterdags' werd ook gezegd van personen: Die zaterdagse kwajongen! De...

Lees verder
2020
2023-02-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

zaterdags

Het begrip zaterdags heeft 2 verschillende betekenissen: 1) op zaterdag plaatsvindend. op zaterdag plaatsvindend; op zaterdag verschijnend; ook: op iedere zaterdag plaatsvindend; op zaterdag gebruikelijk. 2) op zaterdag; 's zaterdags. op zaterdag; 's zaterdags; ook: op elke zaterdag. Vaak niet duidelijk te scheiden van d...

Lees verder
2019
2023-02-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zaterdags

zaterdags - Bijvoeglijk naamwoord 1. (tijdrekening) op de zaterdag betrekking hebbend Lekker onbezorgd een zaterdags terrasje doen in Leuven! zaterdags - Bijwoord 1. (tijdrekening) op zaterdagen We gaan zaterdags meestal winkelen....

Lees verder
1997
2023-02-06
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

zaterdags

Fungeert sedert het begin van de 19de eeuw als versterkend bijwoord in de betekenis Verduiveld, verdomd’. In de krachtterm wel zaterdags! heeft het woord dezelfde betekenis als wel verdomd.

1950
2023-02-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zaterdags

I. bw., 1. op Zaterdag: Zaterdags heb ik les; 2. drommels, terdege: zij heeft mij Zaterdags gefopt, II. bn., 1. van Zaterdag, tot de Zaterdag behorende, op Zaterdag geschiedende : het Zaterdagse werk ; een Zaterdagse beurt, 2. drommels, verbastering van satans: die Zaterdagse vent is nu weggelopen.

Lees verder
1937
2023-02-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Zaterdags

bn., bw. (1 op een of elke Zaterdag; 2 erg, drommels); 1. de Zaterdagse markt, het Zaterdagse werk; Zaterdags is er op dat dorp geen school; 2. die Zaterdagse vent! hij heeft mij Zaterdags gefopt, ter dege.

Lees verder
1930
2023-02-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

zaterdags

('za:tər) I. bw. 1. op zaterdag : is er daar geen school. 2. terdege, drommels : hij heeft mij gefopt. II. bn. 1. van, eigen aan, behorende tot, betreffende de zaterdag. 2. op zaterdag geschiedend: het-e werk. 3. drommels : die -e vent.

Lees verder
1898
2023-02-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZATERDAGS

ZATERDAGS, bw. drommels, terdege: zij heeft mij Zaterdags gefopt.