2019-11-22

Zat

1. dronken. Er zijn allerlei vergelijkingen voor ‘erg dronken’: zat als een aap, maleier, meeuw, meloet, reiger, (roeten) toeter, tierelier, tor. Het aantal variaties is wellicht eindeloos. De meeste van de hierboven genoemde worden (of werden oorspr.) gebruikt in het soldatenslang. Zie ook dronken. 2. meer dan genoeg, in informele uitdr. als geld zat hebben ‘erg veel geld hebben’; makkelijk zat ‘doodgemakkelij k’.

2019-11-22

zat

zat - Bijvoeglijk naamwoord 1. (informeel) verzadigd, vol, met name van alcoholische drank Hij was volkomen zat en begon handtastelijk te worden. 2. (informeel) als predicaat met oorzakelijk voorwerp: ergens genoeg van hebbend Ik ben het zat! zat - Onbepaald voornaamwoord 1. (informeel) in voldoende mate Er zijn mensen zat die da...

2019-11-22

zat

zat - bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord 1. als je onder invloed van alcohol niet meer goed kunt staan, lopen, denken ♢ hij is elke zaterdagavond zat 1. zo zat als een aap (kanon, Maleier) [stomdronken] 1. zoveel als nodig is en zelfs meer ♢ er ligt zat sneeuw om te skiën <...

2019-11-22

ZAT

ZAT, bn. bw. (-ter, -st), genoeg, verzadigd, met gevulde maag; hij heeft zoo gegeten, dat hij tot berstens toe zat is; — dronken: die kerel is bijna alle dagen zat; — in overvloed : ik heb boekenzat; — ik ben dien man zat, moede ; zich zat aan iets kijken; — (fig.) afkeerig van: des levens zat zijn, niet langer willen leven. ZATHEID, v. verzadiging ; dronkenschap.