Wat is de betekenis van zacht?

2019
2021-04-10
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zacht

zacht - Bijvoeglijk naamwoord 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen Die hoed was gemaakt van zacht materiaal. 2. het gemoed niet sterk aangrijpend Hij stierf een zachte dood. 3. zachtaardig. Hij werkte in d...

Lees verder
2018
2021-04-10
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zacht

zacht - bijvoeglijk naamwoord 1. gemakkelijk in te drukken ♢ ik slaap op een zacht matras 2. niet luid ♢ zet die muziek eens wat zachter! 3. met weinig kracht ...

Lees verder
1997
2021-04-10
Bierwoordenboek

Informatie voor en door de bierliefhebber

Zacht

Zacht kan meerdere betekenissen hebben. We beperken ons hier tot de definitie van zacht in de relatie met bier (of aanverwante zaken).

Lees verder
1993
2021-04-10
Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

Zacht

Zie: temperatuurterm Zie: terminologie

Lees verder
1973
2021-04-10
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

zacht

bn. en bw. (-er, -st), 1. niet hard, week: — als was, als boter; een — bed, waar men in zakt; — leder, niet stug, buigzaam; — hout, hout van naaldbomen; — potlood, dat gemakkelijk, slechts bij geringe druk schrijft; een — (gekookt) eitje, (ook) een sul, halfzachte; 2. bijna onmerkbaar: een zachte hand; —...

Lees verder
1952
2021-04-10
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zacht

adj. & adv., sêft, seaft; (wekelijk) nesk; (murw), morf, murf; (smijdig) sme(u)dich; (van de grond), mellich, myld; (van het weer), myld, mak, moud; — en stil weer, lak moai waer; zeer — weer, einepike-, hinnepikewaer (it); — blauw, fyn blau.

1950
2021-04-10
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zacht

bn. bw. (-er, -st), 1. (van stoffen en concr. zaken) weinig weerstand biedend aan druk, van geringe consistentie, niet hard, week: zacht hout; die peren zijn ul goed zicht; natrium is een zacht metaal;een zacht bed, waar men in zakt; zachte kussens;het zachte verhemelte, het achterste, weke deel er van;...

Lees verder
1916
2021-04-10
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Zacht

Zacht - 1) zie WEEK. 2) wordt gezegd van Röntgenstralen, die gemakkelijk door materie worden geabsorbeerd en derhalve een betrekkelijk groote golflengte hebben.

Lees verder
1898
2021-04-10
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Zacht

Het begrip zacht heeft 2 verschillende betekenissen: 1. zacht - ZACHT, bn. bw. (-er, -st), niet hard, week: zacht hout; een zacht bed, waarin men inzakt; zachte kussens; zacht leer, niet stug, buigzaam; zacht laken, wollig; zachte peren, sappig; zachte oliesteen, fijn van korrel; een zacht (gekookt) eitje, waarvan wel het wit, doch niet het door ha...

Lees verder