2019-10-23

zaal

Het deelnemersveld bij een parentoernooi. Met ‘de zaal’ wordt ook vaak bedoeld het merendeel van de overige paren, zoals in: ‘De zaal zat in drie sans.’

2019-10-23

Zaal

Zaal - op de zaal spelen: om het effect, op het publiek spelen. Toneeljargon. Vgl. Eng. to play to the gallery. ​

2019-10-23

Zaal

Het woord zaal gaat terug op een oud woord met een scala aan betekenissen, waaronder ook de huidige betekenis 'voorname (ontvangst)ruimte in een (voornaam) gebouw'. Het woord zaal duidde ook een aanzienlijk huis op zich aan. In relatie hiermee is mogelijk de achternaam Zaal, en zo ook ondermeer Verzaal en Zaalman, ontstaan als benaming voor iemand die in een huis dat bekend stond als de Zaal woonde en/of werkte. Naar het schijnt heeft dit woord zich ook geleend voor een Germaanse persoonsnaam wa...

2019-10-23

zaal

zaal - zelfstandig naamwoord 1. grote ruimte in een gebouw ♢ in een van de zalen werd gedanst 2. publiek in een zaal ♢ de zaal was erg enthousiast 1. een zaal plat krijgen [het publiek inpalmen] Zelfstandig naamwoord: zaal de zaal

2019-10-23

zaal

zaal - Ruimten die groter zijn dan kamers, in gebouwen van allerlei aard. Wordt ook gebruikt voor de belangrijkste ruimten van middeleeuwse huizen en voor grote ruimten in aanzienlijke huizen.

2019-10-23

Zaal

zie Kamer.