2019-09-18

zaaitijd

zaaitijd - zelfstandig naamwoord uitspraak: zaai-tijd 1. tijd dat er gezaaid wordt ♢ als het na de zaaitijd regent, kunnen de nieuwe plantjes goed groeien 1. die slaapt in de zaaitijd, vindt geen maaltijd [als je in je jonge jaren niet werkt, heb je het later niet breed] Zelfstandig naamwoord: zaai-tijd Lees verder

2019-09-18

zaaitijd

periode waarin men pleegt te zaaien

2019-09-18

zaaitijd

zaaitijd - Zelfstandignaamwoord 1. de periode waarin gezaaid kan worden Een deel van de gewassen en planten heeft het voorjaar als zaaitijd. Woordherkomst samenstelling van zaai(werkwoord) en tijd

Lees verder
2019-09-18

ZAAITIJD

ZAAITIJD, m. tijd wanneer gezaaid wordt; ...TOESTEL, m. o. (-len), zaaimachine; ...VELD. o. (-en), zaailand; ...WEDER, o. weder gunstig om te zaaien; ...ZAAD, o. (...zaden), zaad dat uitgezaaid zal worden; ...ZAK, m. (-ken), zak waaruit het zaaikoren gestrooid wordt.