2020-02-25

Z

Z - Zelfstandignaamwoord 1. (taalkunde) hoofdletter van de z, de zesentwintigste letter van het alfabet Zie ook z

2020-02-25

Z

Z - de laatste letter van ons — de 7de van het Phoenicische — alphabet, daarin zain geheeten en door de Grieken overgenomen. Dezen noemden haar zêta en spraken haar uit als dz. De Romeinen namen de z weder van de Grieken over en plaatsten die aan ’t einde van hun alphabet. Als cijfer bet. z in het Hebreeuwsch 90, in het Grieksch, als het accentteeken rechts boven staat, 7 — als het links onderaan staat, 7000. Afkortingen: Z. = Zuid; Z.B. = Zuiderbreedte; Z. E. of Z. Ed. = Zijne Ede...

2020-02-25

Z

Z is in het Grieksche alphabet de zesde, maar in het Latijnsche en Nederlandsche en ook elders in het westen en midden van Europa de laatste letter; zij werd door de Grieken aan het Phoenicisch alphabet ontleend en vertoonde, als schriftteeken, in hare oudste gedaante groote overeenkomst met het Hebreeuwsche en Phoenicische teeken saïn, hetwelk wederom afkomstig is van eene Egyptische figuur, die op een vogel gelijkt. Oorspronkelijk was zij eene s, maar werd door de Grieken gebezigd voor den kl...

2020-02-25

Z

Vocabulair van muggen.

2020-02-25

Z

= Zuid.

2020-02-25

Z

de 26e en laatste letter van het alphabet; het letterteeken stelt voor: de stemhebbende fricatieve dentaal (→ Medeklinker). Het teeken gaat terug op de Semietisehe „zajin”, vanwaar het bij de Grieken kwam als „zêta” (Z, ζ). Afkortingen. In de wiskunde geeft z evenals x en y een onbekende grootheid aan. Verder: Z. =Zuid(en) of Zuidelijk; Zach. bij bijbelcitaten = Boek → Zacharias; Z., Z.B. of Z.Br. = Zuiderbreedte; Z.D.H. = Zijne Doorluchtige Hoogwaard...

2020-02-25

Z

I. (zet) v. (-’s ; -’je) 1. Eig. 26ste letter van het abc. 2. Metn. gezamenlijke woorden in een adres-, woordenboek enz. met z beginnend. II. Romeins getalmerk = 2000.