Wat is de betekenis van woning?

2026-01-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Woning

v. (-en), plaats om in te wonen, huis of deel van een huis waarin men zijn vast verblijf houdt: een woning zoeken; in dat huis zijn zes woningen ; (bijb.) in het huis mijns vaders zijn vele woningen (Joh. 14 : 2); — ook van dieren gezegd en in fig. toepassing.

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

woning

ruimte om te wonen. ruimte, hetzij een huis, hetzij een deel daarvan, die dient om bewoond te worden door een enkele persoon of een enkel gezin. Voorbeelden: Het was wat je noemt een zonnig appartement, de woning van mevrouw Haan. Ton Anbeek & Arie Verhagen, Over stijl, 2001 Een woning is een 'thuis' waar iemand...