Wat is de betekenis van woning?

2020
2021-10-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

woning

ruimte om te wonen. ruimte, hetzij een huis, hetzij een deel daarvan, die dient om bewoond te worden door een enkele persoon of een enkel gezin. Voorbeelden: Het was wat je noemt een zonnig appartement, de woning van mevrouw Haan. Ton Anbeek & Arie Verhagen, Over stijl, 2001 Een woning is een 'thuis' waar iemand...

Lees verder
2019
2021-10-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

woning

woning - Zelfstandignaamwoord 1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven In het flatgebouw waren 20 woningen gereed voor bewoning. Woordherkomst Naamwoord van handeling van wonen met het achtervoegsel -ing Uitdrukkingen en gezegden ...

Lees verder
2018
2021-10-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

woning

woning - zelfstandig naamwoord uitspraak: wo-ning 1. gebouw dat bedoeld is om in te wonen ♢ zij zijn op zoek naar een woning Zelfstandig naamwoord: wo-ning de woning de woningen ...

Lees verder
1973
2021-10-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

woning

v. (-en), plaats om in te wonen, perceel dat volgens zijn bouw blijvend bestemd is voor bewoning door één huishouden; ook van dieren gezegd en in fig. toepassing.

1958
2021-10-25
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

WONING

Van de boer (Fr.: wente). De eisen gesteld aan de boeren-IE. zijn de laatste 50 jaar veranderd. Over het algemeen leven boeren sober, ook thans nog. Ca. 1900 sliep men nog algemeen in bedsteden. Voor de boer en zijn gezin lagen de bedsteden, die met deuren konden worden gesloten, in de woonkamer. In de mooie kamer vond men bedsteden voor gasten....

Lees verder
1952
2021-10-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Woning

s., went(e), wenning, wenje, hûs (it), huzing(e), forbliuw (it); kleine —, yntrekje (it), krûp-yn, holderhúske (it); bouwvallige —, arke.

1950
2021-10-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Woning

v. (-en), plaats om in te wonen, huis of deel van een huis waarin men zijn vast verblijf houdt: een woning zoeken; in dat huis zijn zes woningen ; (bijb.) in het huis mijns vaders zijn vele woningen (Joh. 14 : 2); — ook van dieren gezegd en in fig. toepassing.

1949
2021-10-25
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Woning

biedt beschutting tegen de onaangename invloeden van het klimaat: wind, koude en neerslag. Het klimaat is dus de belangrijkste factor geweest in de ontwikkeling van de woningbouw. Andere bepalende factoren zijn: het aanwezige materiaal, veiligheidsoverwegingen en het doel. De natuurvolken hebben grotten tot woning ingericht, die tot in onze tijd in...

Lees verder
1933
2021-10-25
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Woning

huis, gebouw, al dan niet in boven- en benedenhuis, etages, enz. verdeeld bestemd tot en geschikt v. menschelijke verblijfplaats. Groote huurhuizen noemt men → huurkazernes, meestal in eenigszins ongunstigen zin bedoeld. Een tegenstelling daarmede vormt de flatbouw, nl. houw v, groote, met zekere luxe ingerichte gebouwen met tal v. woningen, w...

Lees verder
1933
2021-10-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Woning

Ruimte of ruimtencomplex, gebruikt als duurzame verblijfplaats voor een zelfstandige menschelijke (gezins-)huishouding. A) Geschiedenis De historie van de menschelijke w. loopt parallel met de alg. cultuurgeschiedenis. Hier kunnen slechts enkele grepen eruit worden gedaan, waarbij vooral de beteekenis voor de w. ten onzent de keuze bepaalt. 1°...

Lees verder
1916
2021-10-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Woning

Woning - zie VOLKSHUISVESTING, HUISVREDE en HUISVREDEBREUK.

1870
2021-10-25
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Woning

Woning (De) der menschen, aanvankelijk voorzeker slechts een hol of grot, heeft zich naar gelang van het klimaat, het gewest en het volk, met betrekking tot hare grootte, haren bouw, hare verdeeling en versiering op zeer verschillende wijzen ontwikkeld. Onder de meer beschaafde volkeren der Oudheid, welke woningen deden verrijzen, bekleeden de Indi...

Lees verder