Wat is de betekenis van woning?

2020
2022-08-18
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

woning

ruimte om te wonen. ruimte, hetzij een huis, hetzij een deel daarvan, die dient om bewoond te worden door een enkele persoon of een enkel gezin. Voorbeelden: Het was wat je noemt een zonnig appartement, de woning van mevrouw Haan. Ton Anbeek & Arie Verhagen, Over stijl, 2001 Een woning is een 'thuis' waar iemand...

Lees verder
2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

woning

woning - Zelfstandignaamwoord 1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven In het flatgebouw waren 20 woningen gereed voor bewoning. Woordherkomst Naamwoord van handeling van wonen met het achtervoegsel -ing Uitdrukkingen en gezegden ...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

woning

woning - zelfstandig naamwoord uitspraak: wo-ning 1. gebouw dat bedoeld is om in te wonen ♢ zij zijn op zoek naar een woning Zelfstandig naamwoord: wo-ning de woning de woningen ...

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Woning

v. (-en), plaats om in te wonen, perceel dat volgens zijn bouw blijvend bestemd is voor bewoning door één huishouden; ook van dieren gezegd en in fig. toepassing.

1958
2022-08-18
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

WONING

Van de boer (Fr.: wente). De eisen gesteld aan de boeren-IE. zijn de laatste 50 jaar veranderd. Over het algemeen leven boeren sober, ook thans nog. Ca. 1900 sliep men nog algemeen in bedsteden. Voor de boer en zijn gezin lagen de bedsteden, die met deuren konden worden gesloten, in de woonkamer. In de mooie kamer vond men bedsteden voor gasten....

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Woning

s., went(e), wenning, wenje, hûs (it), huzing(e), forbliuw (it); kleine —, yntrekje (it), krûp-yn, holderhúske (it); bouwvallige —, arke.

1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Woning

v. (-en), plaats om in te wonen, huis of deel van een huis waarin men zijn vast verblijf houdt: een woning zoeken; in dat huis zijn zes woningen ; (bijb.) in het huis mijns vaders zijn vele woningen (Joh. 14 : 2); — ook van dieren gezegd en in fig. toepassing.

1949
2022-08-18
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Woning

biedt beschutting tegen de onaangename invloeden van het klimaat: wind, koude en neerslag. Het klimaat is dus de belangrijkste factor geweest in de ontwikkeling van de woningbouw. Andere bepalende factoren zijn: het aanwezige materiaal, veiligheidsoverwegingen en het doel. De natuurvolken hebben grotten tot woning ingericht, die tot in onze tijd in...

Lees verder
1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

woning

v. woningen, woninkje (huis, verblijf; domicilie): een mooie woning; met vrije woning; vrij woning hebben.

1933
2022-08-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Woning

huis, gebouw, al dan niet in boven- en benedenhuis, etages, enz. verdeeld bestemd tot en geschikt v. menschelijke verblijfplaats. Groote huurhuizen noemt men → huurkazernes, meestal in eenigszins ongunstigen zin bedoeld. Een tegenstelling daarmede vormt de flatbouw, nl. houw v, groote, met zekere luxe ingerichte gebouwen met tal v. woningen, w...

Lees verder
1933
2022-08-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Woning

Ruimte of ruimtencomplex, gebruikt als duurzame verblijfplaats voor een zelfstandige menschelijke (gezins-)huishouding. A) Geschiedenis De historie van de menschelijke w. loopt parallel met de alg. cultuurgeschiedenis. Hier kunnen slechts enkele grepen eruit worden gedaan, waarbij vooral de beteekenis voor de w. ten onzent de keuze bepaalt. 1°...

Lees verder
1929
2022-08-18
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Woning

De woning, die voor den mensch een kleeding (bedekking) in vergrooten maatstaf is en hem beschermt tegen de invloeden der buitenwereld, moet aan bepaalde eischen beantwoorden, indien zij niet schadelijk zal zijn voor de gezondheid; vooral geldt dit in een klimaat, waarin men gedwongen is een groot deel van het jaar binnenshuis door te brengen. Een...

Lees verder
1916
2022-08-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Woning

Woning - zie VOLKSHUISVESTING, HUISVREDE en HUISVREDEBREUK.

1870
2022-08-18
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Woning

Woning (De) der menschen, aanvankelijk voorzeker slechts een hol of grot, heeft zich naar gelang van het klimaat, het gewest en het volk, met betrekking tot hare grootte, haren bouw, hare verdeeling en versiering op zeer verschillende wijzen ontwikkeld. Onder de meer beschaafde volkeren der Oudheid, welke woningen deden verrijzen, bekleeden de Indi...

Lees verder