Wat is de betekenis van winkelen?

2024-05-20
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-20
Neologismen

Instituut voor de Nederlandse Taal (2020)

winkelen

verschillende instanties bezoeken om te kijken bij welke men het beste terecht kan Soepel studeren met 'vouchers' Een selecte club studenten kan vanaf deze maand 'shoppen' in het hoger beroepsonderwijs (hbo) met zogenoemde vouchers. Dat biedt de studenten een grotere vrijheid, maar de hogescholen lopen daarbij niet-geringe risi...

2024-05-20
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

winkelen

winkelen - Werkwoord 1. van winkel tot winkel gaan en inkopen doen Ze winkelden de hele middag en kwamen voldaan en beladen met allerlei nieuwe kleren weer thuis. Woordherkomst Afgeleid van winkel met het achtervoegsel -en

2024-05-20
Historische collectie Nederland

Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (2019)

winkelen

Winkelen is een fenomeen met wortels in een ver verleden. Van oudsher hebben sommige producten begeerte opgewekt, niet alleen vanwege hun praktische nut en het genoegen dat ze de eigenaar verschaffen, maar ook vanwege de boodschap die zij aan de buitenwereld afgeven. Dit soort emoties spelen een grotere rol bij duurzame en luze artikelen (winkelen)...

2024-05-20
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

winkelen

winkelen - regelmatig werkwoord uitspraak: win-ke-len 1. winkels bezoeken om rond te kijken en dingen te kopen ♢ op onze vrije zaterdag gaan we altijd winkelen Regelmatig werkwoord: win-ke-len ik winkel ...

2024-05-20
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Winkelen

v., winkelje.

2024-05-20
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Winkelen

(winkelde, heeft gewinkeld), 1. winkels bezoeken, boodschappen doen; 2. (vero. ?) dat winkelt wel, staat goed, komt goed van pas voor een winkel.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-20
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

winkelen

I. winkelde, h. gewinkeld (de winkels bezoeken of bekijken): de dames gingen winkelen. II. winkelde, h. gewinkeld (Z.-N. kronkelen): ‘t schrijverken krinkelt en winkelt op ‘t water.