Wat is de betekenis van winkel?

2020
2020-12-05
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

winkel

Het begrip winkel heeft 3 verschillende betekenissen: 1) winkelbedrijf. bedrijf dat een assortiment handelsproducten verkoopt, in de regel in kleine aantallen of hoeveelheden aan particuliere verbruikers, en soms bijbehorende diensten op het vlak van onderhoud en reparatie aanbiedt; winkelbedrijf. 2) winkelpand. gebouw, pand of een d...

Lees verder
2019
2020-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

winkel

winkel - Zelfstandignaamwoord 1. (handel) een plaats waar koopwaar wordt verkocht winkel - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen ♢ Ik winkel 2. gebiedende wijs van winkelen winkel! 3. (bij inversie) tweede persoon...

Lees verder
2018
2020-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

winkel

winkel - zelfstandig naamwoord uitspraak: win-kel 1. gebouw waar je dingen kunt kopen ♢ ze hebben een groentewinkel 1. in de winkel staan [klanten helpen in de winkel] Zelfstandig na...

Lees verder
2017
2020-12-05
Prostituees en pooiers

Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Winkel

Winkel - bordeel. Soms ook schertsend mannenwinkel.

2014
2020-12-05
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

winkel

1. bordeel: ENDT; 2. politiebureau: V. BOLHUIS; 3. vagina: ‘O,’ zei het meisje, ‘die mode van tegenwoordig. Het is haast geen doen meer om te gaan zitten’. Ze wist kennelijk geen raad met haar winkel, BOTING2I7.

Lees verder
2002
2020-12-05
Aad Struijs

Auteur "Het toppunt van Nederland"

Winkel

Er zit een luchtje aan het raadhuis van Winkel. Maar wel een lekker luchtje. In het gebouw is namelijk het Nederlands Parfumflessenmuseum gevestigd. Het bezit de grootste collectie parfumflessen van Nederland. Zevenduizend zijn het er, vaak nog in de originele verpakking. Tijdens de rondleiding wordt verteld over de cultuur en de geschiedenis van h...

Lees verder
1998
2020-12-05
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Winkel

1. niks in de -, alles in de kelder, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd met deze uitdr. de bevoordeling (in het zwart) van vrienden door winkeliers bekritiseerd. 2. op de- passen, er zorg voor dragen dat iets in orde blijft, dat er niets aan veranderd wordt. In het politieke taalgebruik meer specifiek ‘de lopende zaken waarnemen’. Het Engels kent...

Lees verder
1981
2020-12-05
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Winkel

Ned. gemeente in de prov. Noord-Holland in West-Friesland. Hier sneuvelde 18.9.993 → Arnulf van Gent in de strijd tegen de Friezen.

Lees verder
1977
2020-12-05
Erotisch woordenboek

Geschreven door Hans Heestermans (1977)

winkel

winkel - 1°. Vrouwelijk geslachtsdeel (vgl. nog: tuin, stee). Kom bij een’ Prins of een’ Regent, Bij een Barbier, of Sjouwersvent: Zij lopen alle even ras Om winkels met een bosje gras, (ENGELHART), Kinderen mijner Jeugdige Lossigheden 112 [1806].2°. Bordeel (ENDT).

Lees verder
1973
2020-12-05
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

winkel

m. (-s), 1. in de detailhandel een van een etalage voorziene besloten verkoopruimte, waar het publiek goederen kan kopen (e): een rijdende—; in een — staan, winkelbediende zijn; winkels kijken, nl. de etalages; er zijn in die straat mooie winkels; (ook) bureau dat op idealistische basis voorlichting of hulp geeft in maatschappijen rech...

Lees verder
1969
2020-12-05
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Winkel

Winkel - zie M. H. E. Hendriks.

1949
2020-12-05
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Winkel

Jan te (1847-1927), Ned. taalkundige, prof. te A’dam, schreef o.a. Inleid. tot de Geschied, der Ned. Taal en Ontwikkelingsgang der Ned. Letterk.Lammerd A. te (1809-1868), Ned. taalkundige, met De Vries ontwerper en beginner van het Woordenboek der Ned. Taal.

Lees verder
1933
2020-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Winkel

(Bouwk), hoofddoel van een moderne winkelinrichting is, den voorbijganger en den klant de voorradige waren zoo volledig en voordeelig mogelijk te toonen en tot binnen gaan en koopen te lokken. De voorbijganger dient getroffen te worden door het uiterlijk van het geheel, hetzij doordat de waren worden uitgestald achter een in het gevelvlak geplaatst...

Lees verder
1921
2020-12-05
Levende taal

T. Pluim - 1921

Winkel

(verkoophuis), zie Schuilevinkje.

1916
2020-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Winkel

Winkel - 1) gem. in N.-Holland langs de Zuiderzee; 1961 H.A., alles kleigrond, waaronder de ingedijkte Groetpolder; zij telt 1650 inw., die van landbouw en veeteelt leven. De gem. bevat eenige buurten en het dorp W., aan de tramlijn Schagen-Hoorn; het heeft 900 inw. Hier sneuvelde in 893 graaf Arnoud tegen de West-Friezen. 2) dr. Jan te, Nederl. ta...

Lees verder
1898
2020-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Winkel

Het begrip winkel heeft 2 verschillende betekenissen: 1. winkel - WINKEL, m. (-s), hoek : men heeft in alle winkels en hoeken gezocht; (ontl.) oogholte. 2. winkel - WINKEL, m. (-s), huis of gedeelte van een huis waar voorwerpen te koop zijn, magazijn : een winkel openen, hebben, houden; winkel voor sigaren, voor kruidenierswaren; — vrije wi...

Lees verder
1870
2020-12-05
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Winkel

Winkel (Lammerd Allard te), een uitstekend Nederlandsch taalkundige, geboren te Arnhem den 13den September 1809, bezocht de school van de Jong aldaar, vormde zich tot onderwijzer en zag zich op 18-jarigen leeftijd geplaatst te Geertruidenberg op de kostschool van Lagerwey. Hier bleef hij tien jaar en aanvaardde toen de betrekking van gouverneur bij...

Lees verder