Wat is de betekenis van wezenloos?

2019
2022-05-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

wezenloos

wezenloos - Bijvoeglijk naamwoord 1. gedachteloos, versteend, nog net niet bewusteloos De man zat wezenloos voor zich uit te staren. Woordherkomst Afgeleid van wezen met het achtervoegsel -loos

Lees verder
2018
2022-05-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

wezenloos

wezenloos - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: we-zen-loos 1. zonder besef van de dingen om je heen ♢ met een wezenloze blik keek hij me aan 1. je wezenloos schrikken [heel erg schrikken]...

Lees verder
1998
2022-05-16
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Wezenloos

1. doe niet zo-, doe nu niet alsof je het niet begrijpt. Informele uitdr. 2. - zijn van iets/iemand, gek, dol zijn op iets, iemand. Deze uitdr. is vooral populair onder hedendaagse jongeren. In Onze Taal van novem- ber/december 1970 werd wezenloos opgegeven als tienerwoord van vroeger (jaren zestig?). Syn. zijn: enig, fantastisch, meesterlijk. Ook...

Lees verder
1973
2022-05-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Wezenloos

bn. en bw. (-lozer, -t), niet bewust, zonder begrip, afwezig van geest: wezenloos kijken; (gemeenz.) doe niet zo wezenloos, zo dom, alsof je het niet begrijpt; suf: zich wezenloos schrijven, tellen enz., zo lang dat men er suf van wordt; zich wezenloos schrikken, verstommen van schrik.

1952
2022-05-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Wezenloos

adj. & adv., wezenleas; hij is volkomen —, der sit alhiel gjin wezen yn.

1950
2022-05-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Wezenloos

bn. bw. (...lozer, -t), 1. niet werkelijk, zonder realiteit: wezenloze schimmen, dromen ; 2. niet bewust, zonder begrip, afwezig van geest: wezenloos kijken; — (gemeenz.) doe niet zo wezenloos, zo dom, alsof je het niet begrijpt; —suf: zich wezenloos schrijven, tellen enz., zo lang dat men er suf van wordt;...

Lees verder
1937
2022-05-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

wezenloos

bn., bw.; wezenlozer, wezenloost (zonder gevoel, verstand, uitdrukking): een wezenloos mens, zonder verstand of levensgevoel; wezenloze gelaatstrekken, zonder uitdrukking; wezenloos voor zich uitstaren.

1898
2022-05-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WEZENLOOS

WEZENLOOS, bn. bw. (...zer, -t), niet bestaande, niet werkelijk: wezenlooze schimmen, droomen ; — (fig.) ongevoelig, bedwelmd, (ook) bedremmeld: wezenloos kijken. WEZENLOOSHEID, v. denkbeeldige toestand ; — (fig.) bedwelming ; bedremmeldheid.

Lees verder