Wat is de betekenis van WERKTUIG?

2022
2022-10-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

werktuig

(1982) (vnl. homotaal) geslachtsorgaan. Vgl. apparaat*; gereedschap*; instrument*. • (Arendo Joustra: Homo-erotisch woordenboek. 1988) • Ze bekeek hem zwijgend, haar hand gleed van zijn borst naar zijn werktuig. ‘Eindelijk,’ zei ze, ‘daar is hij dan. Een kerel, als ik het niet had gedacht.’ (Theun de Vries: Torren...

Lees verder
2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

werktuig

werktuig - Zelfstandignaamwoord 1. (gereedschap) een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken Het werktuig van de fabrikant was kapot. Woordherkomst samenstelling van werk en tuig Verwante begrippen gereedschap, instrument, middel, stuk gereedschap

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

werktuig

werktuig - zelfstandig naamwoord uitspraak: werk-tuig 1. stuk gereedschap voor het maken of repareren van iets ♢ welke werktuigen heb je nodig voor het timmeren van dat hek? Zelfstandig naamwoord: werk-tuig het werkt...

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Werktuig

o. (-en), 1. (algemeen) hulpmiddel ter vergroting van de mogelijkheden van de menselijke hand: de prehistorische mens gebruikte vuurstenen als werktuigen; in technische taal: machine: een graafwerktuig; gymnastische oefeningen met en zonder werktuigen, toestellen; 2. (fig.) persoon die zich voor iets gebruiken laat: zij was het werktuig van zijn w...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Werktuig

s.n., stik ark (it), wurktúch (it), arkemint (it).

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Werktuig

o. (-en), 1. in het alg. ieder lichaam of stelsel van lichamen dat gebruikt wordt om zekere krachten te overwinnen met behulp van andere krachten; hulpmiddel bij het bewerken, vervaardigen of verplaatsen van iets, instrument (meer alg. dan gereedschap): de voorhistorische mensen gebruikten vuurstenen als werktuigen ; werktuigen om hout te bewerk...

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

werktuig

o. werktuigen (1 gereedschap, toestel, orgaan; 2 fig. ong. persoon, die zich voor iets gebruiken laat; 3 voorwerp der gymnastiek): 1 de werktuigen van den timmerman; 2 iems. werktuig zijn; 3 werktuigen als brug, rek, rekstok, enz.

Lees verder
1933
2022-10-06
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Werktuig

is een lichaam of stelsel van lichamen, dat ten doel heeft zekere krachten (weerstandskrachten) te overwinnen met behulp van andere (bewegende krachten). De beweging, aan een deel ervan meegedeeld, wordt overgebracht op de andere deelen. De inrichting van een w. kan zoodanig zijn, dat een zeer zwakke bewegende kracht een zeer veel sterkere weerstan...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

werktuig

('werk) o. (-en; -je) I. Eig. 1. Algm. tuig, gereedschap, toestel om mede te werken : een hamer is een -; gymnastische -en. Syn. → gereedschap. 2. Inz. a. machine : een kunstig -. b. orgaan : de -en der ademhaling. II. Metf. persoon gebruikt om iets te verrichten : hij was het van zijn wraak; hij gebruikt hem als om zijn eerzucht te...

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WERKTUIG

WERKTUIG, o. (-en), gereedschap : zaag, beitel, schaaf enz. zijn de werktuigen van den timmerman; instrument: natuurkundige werktuigen; machine : eene naaimachine is een kunstig werktuig; — orgaan; de gezamenlijke werktuigen van den reuk; (lig.) zaak of persoon die tot verrichting van iets dient: hij tvas het werktuig van zijne wraak; &mdash...

Lees verder
1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Werktuig

zie Gereedschap.

1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Werktuig

Werktuig, o. (-en), gereedschap, † instrument, † machine; (fig.) iem. van wien men alles gedaan kan krijgen; hij is uw -, gij hebt geheel over hem te beschikken. *-ELIJK, bn. en bijw. mechanisch; (fig.) zonder te denken, machinaal. *-ELIJKHEID, v. *-KUNDE, v. gmv. leer -, kennis der werktuigen, † mechanica. *-KUNDIG, bn. (-e...

Lees verder