2020-04-06

welkom

welkom - Bijvoeglijk naamwoord 1. gewenst zijn te blijven Hij is een welkome gast. Dit is een welkome afwisseling. welkom - Zelfstandignaamwoord 1. begroeting, verwelkoming 2. ontvangst, onthaal welkom! - Tussenwerpsel 1. begroeting uitgesproken wanneer een persoon of groep ergens arriveren|arriveert Woordherkomst van Middelnederlands wellecome...

2020-04-06

WELKOM

WELKOM, bw. gelegen komende : iem. welkom heeten, hem bij zijne aankomst begroeten, ontvangen ; — bn. (meer-, meest-), aangenaam : hij is mij welkom, zijne komst is mij aangenaam ; een welkome gast; niets kon mij meer welkom zijn; —, tw. welkom, welkom hier ! welkom thuis !, —, o. of WELKOMST, v. (fig.) onthaal, gegeven door leerlingen bij hunne eerste komst.

2020-04-06

welkom

welkom - zelfstandig naamwoord uitspraak: wel-kom 1. het ontvangen worden ♢ u bent hier van harte welkom Zelfstandig naamwoord: wel-kom het welkom

2020-04-06

welkom

('wel) I. tw. uw komst is aangenaam : hier! thuis! II. bn. en bw. (meer -, meest -) 1. gelegen komend : hij is bij ons. → hond, kat. 2. aangenaam : een -e gast; een geschenk; iemand, iets heten; niets kan ons meer zijn. III. o. verwelkoming : iemand het toeroepen.