2019-10-20

wassen

wassen - Werkwoord 1. (ov) iets met water of een andere vloeistof zuiveren Het afgefilterde neerslag werd met alcohol gewassen. 2. (refl) zich ~; zichzelf met water schoonmaken Hij waste zich met zeep. 3. ergatief (aangroeien|aan)groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloop De rivier wies door de plotselinge regenval.

2019-10-20

wassen

schudden

2019-10-20

wassen

Wassen is: 2-dim; een techniek waarbij met penseel en verdunde inkt of verf in één toon (1) een vlak wordt ingekleurd.

2019-10-20

Wassen

In papiermolens.

2019-10-20

Wassen

Het wassen van een dode was (en is nog) een reinigingsritueel, dat vroeger slechts ten doel had de stoffen of machten die achterblijvenden ofwellicht de dode zelf vijandig gezind waren, onschadelijk te maken. Water was een hindernis die kwade geesten -de ziel van een dode werd immers de levenden vijandig gezind geacht- niet konden overschrijden. Daarom vermeed men het ook zo veel mogelijk om met een lijk over water of bruggen te gaan, uit angst dat de geest zou blijven hangen. Het uitboenen van...

2019-10-20

Wassen

een - neus in marineslang bet. dit ‘een gemakkelijk karweitje’ (Harmsen).

2019-10-20

wassen

wassen - bijvoeglijk naamwoord, regelmatig werkwoord uitspraak: was-sen 1. van was ♢ bij Madame Tussaud keken we naar de wassen beelden 1. dat is een wassen neus [iets wat weinig voorstelt] 1. met water (en zeep) schoonmaken ♢ de moeder wast het kind

  • 2019-10-20

    Wassen

    zie Groeien.

    2019-10-20

    wassen

    Wassen: reinigen met een redelijke tot grote hoeveelheid water en eventueel een neutrale detergent, zonder of met weinig druk.