Synoniemen van want

2019-12-05

want

want - Zelfstandignaamwoord 1. (f)/(m): (kleding) handschoen waarbij alle vinger|vingers, behalve de duim in één ruimte zitten 2. (n): (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want) De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want. want - Voegwoord 1. geeft nevenschikkend...

2019-12-05

Want

goed in het - zitten slanguitdr. voor ‘een forse boezem hebben’. Vgl. een bos hout voor de deur.

2019-12-05

want

want - voegwoord, zelfstandig naamwoord 1. er wordt een reden of argument genoemd ♢ Piet gaat niet naar de film want hij heeft hem al gezien 2. handschoen met aparte duim ♢ ze droegen dikke wanten bij het skiën Voegwoord: want Zelfstandig naamwoord: want de want de wanten

2019-12-05

Want

Want - 1) het touwwerk aan boord van een schip ; voor steun van het rondhout het staand want; voor beweging der zeilen, loopend want. 2) de hoofdtouwen, waarmede de masten dwarsscheeps gesteund worden; zie TUIG.

2019-12-05

Want

Want - → Lopend want, → Staand want, → Verstaging.

2019-12-05

want

want - Bedekkingen voor de hand die vier vingers in een gedeelte omsluiten en de duim in een ander.

2019-12-05

want

want - v., handschoen; o.,scheeps- of vischtuig.

2019-12-05

Want

(scheepsb.), de draadtouwen, welke de masten van schepen zijdelings steunen, al of niet gespreid gehouden door een houten of ijzeren spreider, de zaling.