Wat is de betekenis van Wal?

2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

wal

wal - Zelfstandignaamwoord 1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand 2. aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming 3. het vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip wal - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wallen ♢ Ik wal...

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

wal

wal - zelfstandig naamwoord 1. het vasteland aan de waterkant ♢ de zeelieden gingen aan wal 1. van wal steken [beginnen] 2. tussen wal en schip terechtkomen ...

Lees verder
2014
2022-09-28
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

wal

gegraven kanaal of gracht: Men (kan) wijzen op de herhaalde malen voorkomende verwarring van woorden, die gracht en wal beteekenen. Eene Amsterdamsche dienstmeid laat niet iets vallen van den wal in de gracht, maar van de gracht in den wal, Ts. 11, 49 [1892].

2013
2022-09-28
Bart Janssen

--

Wal

Een wal is een hoge, meestal van een borstwering voorziene aarden ophoging rond een versterking.

1980
2022-09-28
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Wal

Zie Wall.

1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Wal

m. (-len), 1. langgerekte ophoping van grond die iets omgeeft of dient om iets tegen te houden; van twee wallen eten, met beide partijen heulen en daarvan profiteren; m.n. zo’n ophoging rondom een vesting ter bescherming; ook in toepassing op stadsmuren: de oude wallen slechten; 2. gemetselde of beschoeide waterkant, kade: het schip ligt aan...

Lees verder
1969
2022-09-28
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Wal

Wal - zie Wall.

1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Wal

s., wâl; van — steken, ôfsette, -stekke; beschoeide —, skoaiwâl; — van slataarde, slatwâl; -len onder de ogen, pûden, kwabben.

1951
2022-09-28
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Wal

1. walvis; die Wale, (ook) de walvisachtigen. 2. slagveld; de gevallenen.

Lees verder
1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Wal

m. (-len), 1. langgestrekte opgeworpen ophoping van grond die iets omgeeft of dient om iets tegen te houden : de duinen vormen een wal die Holland tegen de zee beschermt ; — van twee wallen eten (zoals een koe doet in een greppel), met beide partijen heulen en daarmee zijn voordeel doen ; — in ’t bijz. zulk een ophog...

Lees verder
1939
2022-09-28
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Wal

Vanwaar men steeds hulp krijgt na|r de sloot.

1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

wal

m. wallen, walletje: 1. omwalling; hoge aarden ophoging om iets heen ter bescherming; muur inz. vestingmuur: op de wallen van de stad; 2. gemetselde of beschoeide waterkant; kade, zoom; bij uitbr. land: de matrozen gingen aan wal, land; aan wal brengen; van wal steken, gaan varen, afzeilen, fig. met iets een begin maken, b.v. steek maar eens van wa...

Lees verder
1933
2022-09-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Wal

(krijgsk.) Gronddekking aan vestingen en forten. Van oudsher hebben Ned. en W. Duitsche versterkingen in plaats van muren veelal w. gehad. De invoering van de ijzeren kanonskogels dwongen tot algeheele toepassing van aarden wallen, in Ned. zonder, elders mét gemetselde bekleedingen. Het beloop in plattegrond verschilde bij de onderscheiden s...

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

wal

m. (-len; -letje) [Lat. valium] I. Eig. 1. A. Algm. hoge en brede ophoping van aarde om iets tegen te houden : een tegen het water opwerpen. B. Inz. a. 1) zo een ophoging rondom een vesting, al of niet met een gracht erlangs : een stad met -len omringen; de stadswallen. 2) Bepk. gracht van een wal: iets in de gooien ; burchtwal. b. verhoogde o...

Lees verder
1911
2022-09-28
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Wal

van ’t Lat. valium, vallus = dam, wal.

1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WAL

WAL - m. (-len), eene hooge en breede ophooging van aarde om iets tegen te houden, inz. rondom eene plaats om die in tijd van oorlog te beschermen : eene stad met wallen omringen; de oude wallen slechten; — waterkant (eener kade enz.); oever, zoom, boord (eener rivier); (zeew.) aan wal (land) gaan; aan wal blijven, zich niet aan boord begeven...

Lees verder
1898
2022-09-28
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Wal

zie Boord.

1870
2022-09-28
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Wal

Wal (Een) is de voornaamste aardophooping van een vestingwerk, aan hare bovenvlakte voorzien van eene borstwering, waarachter zich de walgang bevindt met eene voldoende breedte voor de beweging van troepen en vuurmonden. Men heeft een aarden wal, zonder eenig metselwerk, — een gereveteerden wal, met een opgemetselden muur aan ééne of twee zijden, —...

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Wal

Wal, m. (-len), waterkant (eener kade enz.); oever, zoom, boord (eener rivier); (zeew.) opper-, (waar de wind van de landzijde komt); lager -, (waar de wind op de kust staat); aan - (land) gaan; aan - blijven, zich niet aan boord begeven; (fig.) dat raakt kant noch -, dit is ten eenenmale ongerijmd, het heeft geen slot; van - steken, afzeilen, afv...

Lees verder
1856
2022-09-28
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Wal

z.n.m. 1. Waterkant; vooral een zoodanige, die van hout- of metselwerk voorzien is. De stads wallen. Opperwallen (waar de wind van de landzijde komt). Lager wal (waar de wind op de kust staat). Hy zwiert al waar het water wil, En wort zee, door een snellen val, Gedreven tegen lager Wal. Cats. 2. Algemeene benaming voor land. Aan wal gaan. Aan...

Lees verder