Wal
m. (-len), 1. langgestrekte opgeworpen ophoping van grond die iets omgeeft of dient om iets tegen te houden : de duinen vormen een wal die Holland tegen de zee beschermt ; — van twee wallen eten (zoals een koe doet in een greppel), met beide partijen heulen en daarmee zijn voordeel doen ; — in ’t bijz. zulk een ophog...