Wat is de betekenis van Wak?

2022
2023-02-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

wak

(1999) (jeugd) hip; cool. • Terwijl vroeger alles mega, graaf, hip, bangelijk of tof was, is nu alles wat enigszins in de smaak valt flex, fix, wak of doop. (De Morgen, 24/02/1999)

Lees verder
2019
2023-02-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

wak

wak - Zelfstandignaamwoord 1. een gat in het ijs

Lees verder
2018
2023-02-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

wak

wak - zelfstandig naamwoord 1. open plaats in het ijs ♢ in het wak zwommen tientallen eenden Zelfstandig naamwoord: wak het wak de wakken het wakje

Lees verder
2004
2023-02-08
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

wak

(bn.) klam, vochtig, drukkend. De vlokken van de B.C. worden echter nogal snel wak, waardoor je een vrij kleverige brij krijgt. - GvA, 19-04-2002.

Lees verder
1998
2023-02-08
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Wak

in een - zitten wielerslang voor ‘een langdurige inzinking van mentale aard heb-ben’.

Lees verder
1997
2023-02-08
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

wak

De verwensing pleurt in een wak!, met de t achter de persoonsvorm, is typisch voor de Randstad. De verwensing drukt woede uit en wenst de tegenstander letterlijk alle ongemak. Letterlijk moeten wij de betekenis niet nemen. Meestal is zij niet meer dan ‘rot op’.zie pleuren.

Lees verder
1981
2023-02-08
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

wak

1. Van zaken: vochtig; klam, week; ook van het weer, het klimaat enz.: vochtig (en benauwd); drukkend. Het smekend gebaar van Janneken naar de hemel toe, toen die droge oostenwind er dagenlang overheen bleef rijden ... . Maar de tweede helft van Mei maakte alles weer goed. ’t Weder werd wak en warm, OP DE BEECK 1947, 121. Zij verademen wanne...

Lees verder
1973
2023-02-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Wak

o. (-ken), plaats waar een overigens dichtgevroren water nog open ligt of slechts met een dun laagje ijs bedekt is, gat in het ijs.

1952
2023-02-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Wak

s.n., wek (it), wjek (it), wjekke, wekte; (door wind ontstaan), siichgat (it).

1950
2023-02-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Wak

o. (-ken), plaats waar een overigens dichtgevroren water nog open ligt of slechts met een dun laagje ijs bedekt is, gat in het ijs.

1937
2023-02-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

wak

I. o. wakken; open plek, zwakke plaats in het ijs: hij viel door het wak en schoot onder het ijs. II. bn.; wakker, -st; vochtig: ’t is wak weer, regenachtig, nevelachtig, onvast, druilig.

Lees verder
1930
2023-02-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

wak

I. o. (-ken) open plek in het ijs : hij viel door het -en schoot onder het ijs. II. bn. en bw. (-ker, -st) vochtig, regenachtig : weer.

Lees verder
1898
2023-02-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Wak

Het begrip wak heeft 2 verschillende betekenissen: 1. wak - WAK - o. (-ken), zwakke plaats in het ijs, gat in het ijs. 2. wak - WAK - bn. (-ker, -st), vochtig : wak weer; het is een wakke urinter, een zachte, een kwakkelwinter; wakke zaden en granen. WAKHEID, v. vochtigheid.

Lees verder
1864
2023-02-08
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Wak

Wak, o. (-ken), zwakke plaats op het ijs, gat in het ijs. *-, bn. (-ker, -st), vochtig. *-HEID, v. gmv. vochtigheid.

Lees verder
1856
2023-02-08
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Wak

z.n.o. - Zwakke stede, open plek in het ijs.