Wat is de betekenis van waar?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

waar

waar - Zelfstandignaamwoord 1. koopwaar, te verhandelen goederen 2. aandeel in een onverdeeld landbouwbedrijf 3. voorzichtigheid, aandacht, hoede (-> waarschuwen) waar - Bijvoeglijk naamwoord 1. correct, niet onwaar, overeenkomend met de werkelijkheid waar - Bijwoord 1. Vragend: op welke plaa...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

waar

waar - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord 1. precies als in de werkelijkheid ♢ het is een waar gebeurd verhaal 1. zijn ware bedoeling [zijn echte bedoeling] ...

Lees verder
1997
2022-10-06
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

waar

zie sterven.

1990
2022-10-06
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

waar

waar - Wordt gebruikt voor een bepaald soort vervaardigde artikelen, doorgaans gebruiksvoorwerpen, die meestal worden vernoemd naar het materiaal, gebruik, de stijlnaam of een andere eigenschap, zoals aardewerk of keukengerei.

1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Waar

bn. en bw. (-der, -st) 1. wezenlijk, werkelijk: zo waar, bn. en bw. (als) ik leef; het is te mooi om waar, bn. en bw. te zijn; de ware betekenis van een uitdrukking; (zelfst.) het ware weet ik er niet van, hoe het eigenlijk zit; het is toch niet waar, bn. en bw.?; uitdrukking van grote verbazing of ontsteltenis over een mededeling; zo waar, bn. en...

Lees verder
1963
2022-10-06
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

waar

: waar van, op welke plaats van, op welk punt van (in vragende zin). Waar van de Hogestraat woon je? = Waar woon je in de Hogestraat?

1958
2022-10-06
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

WAAR

Ook: war, weer, wer. Een in Frl. veel voorkomende land- of veldnaam van diverse betekenissen. Oorspronkelijk meestal een aandeel in de vorm van een smalle strook binnen een groter veld. zie Schar.Zie: O. Postma, Fr. Kleihoeve (1934), 127,172,191; Fr. Plaknammen iv, 71-81; Spahr van der Hoek, Fr. landb. II, 578, 579, 582, 606.

Lees verder
1954
2022-10-06
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Waar

veras, vera, komt in tal van anatomisch-fysiologische namen voor als het tegengestelde van onecht, vals enz. (bijv. ware of blijvende kiezen), vgl. propria, spurius en verus.

1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Waar

1. s., waer, guod (it). 2. adj., wier; echt, wier-wier, feitwier, siker(wier); het zal welzijn, it sit der wol op. 3. adv., hwer; — ergens, hwersa(nne), hwerearne; ik weet niethij woont, ik wit net hwer’t er wennet; de plaats - hij...

Lees verder
1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Waar

v. (waren), (gew.) grasorkaantje.

1940
2022-10-06
Economische encyclopedie 1940

Economische encyclopedie (1940), samengesteld door D.C. van der Poel. Gepubliceerd door Uitgeversmaatschappij W. de Haan N.V. Utrecht.

Waar

zie: Goederen.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

waar

I. v. waren; koopmansgoed: dit is goede waar, valse handelsartikel; alle waar is naar z’n (of: d’r) geld, voor weinig geld kan men geen goede waar krijgen; waar voor zijn geld krijgen; zie ook prijzen (I). II. bn.; echt, wezenlijk; zeker; niet vals: iets voor waar houden, als waar aannemen; het is waar, niet gelogen; het is waar ook: h...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

waar

(wa:r) bw. 1. op welke plaats: blijft hij? ik weet niet ik moet zijn; gaat hij naartoe? 2. in welke, hetwelk: het dorp, de stad ik geboren ben. Opm. Waar (2) wordt met een volgend voorzetsel aaneengeschreven: waaraan, waaraf, waarin, waarmede enz. Het staat dan in de plaats van dat voorzetsel en een voornaamwoord: waaraan = aan wat. De klemtoon va...

Lees verder
1916
2022-10-06
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Waar

Waar - koopwaar, handelswaar; zie WARENWET.

1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Waar

(echt), afl. van wezen (vgl. wij waren). Het ware is dus : het wezende, het wezenlijke, het bestaande, het werkelijke ; dus niet: het gefantaseerde, het gelogene.

1908
2022-10-06
Vivat

Schrijver op Ensie

Waar

koopwaar, handelswaar, zie Waren.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Waar

Het begrip waar heeft 4 verschillende betekenissen: 1. waar - WAAR - v. (waren), koopmansgoed, handelsartikel : zijne waren uitstallen; goede waar verkoopen; — (fig.) goede waar prijst zichzelve, wat goed is, behoeft geene aanbeveling; — zijne waar aan den man weten te brengen, goed verkoopen, hoog doen waardeeren; — alle waar i...

Lees verder
1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Waar

zie Echt.

1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Waar

Waar, bn. en bijw. niet valsch, echt; geen logen, zeker. *-, v. (waren), koopmansgoed, handelsartikel; (fig.) goede - prijst zich zelve, wat goed is behoeft geene aanbeveling.