Wat is de betekenis van WAANWIJS?

2019
2022-01-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

waanwijs

waanwijs - Bijvoeglijk naamwoord 1. zich ten onrechte wijs wanend, resp. uit die waan voortkomend Woordherkomst samenstelling van waan en wijs

Lees verder
1952
2022-01-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Waanwijs

adj. & adv., waenwiis, wiis, wizich, wyslik.

1950
2022-01-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Waanwijs

bn. bw. (...zer, -t), zich ten onrechte wijs wanend, resp. uit die waan voortkomend, dwaas aanmatigend, mallotig: een waanwijze gek; waanwijze opmerkingen.

1937
2022-01-27
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

waanwijs

bn.,bw.; -wijzer, meest -; eigenwijs, vol inbeelding: een waanwijs mens, neuswijs; verg. pedant.

1898
2022-01-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WAANWIJS

WAANWIJS - bn. bw. (...zer, -t), eigenwijs, verwaand: een waanwijze gek; waanwijze opmerkingen, die getuigen van hoogmoedigheid, inbeelding. WAANWIJSHEID, v. laatdunkendheid, inbeelding.

Lees verder
1898
2022-01-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Waanwijs

zie Eigenwijs.