2019-06-26

waaien

waaien - regelmatig werkwoord uitspraak: waai-en 1. blazen, lucht verplaatsen ♢ het waait: de bladeren vallen van de bomen 1. laat maar waaien [laat maar zitten, praat er niet meer over] Regelmatig werkwoord: waai-en het waait het waaide Lees verder

2019-06-26

waaien

waaien - Werkwoord 1. (onpr) (meteorologie) het plaatsvinden van een sterke luchtstroming ten gevolge van drukverschillen in de atmosfeer Er woei een sterke zuidwestelijke wind. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse woord waien: een klasse 7 ww o.v.t. wieu, in Gotisch reduplicerend: waiwo van een Proto-Indo-Europees wortel *we met gelijke betekenis. Verwante begrippen blazen, uitblazen, wanne...

Lees verder
2019-06-26

WAAIEN

WAAIEN - (waaide, of woei, heeft gewaaid), wind maken, blazen (van den wind): het waait hard; er waait een storm ; — waaiende verkoelen, lucht aanbrengen door middel van een waaier: zij waaide zich met een zijden waaier; — door den wind in beweging gebracht zijn : de vlaggen waaien van allen kant, wapperen; — het papier waait van de tafel, wordt door den wind meegevoerd; (spr.) met alle winden waaien, met alle partijen meegaan, geen eigen meening hebben; — (fig.) het is mij door het hoof...

Lees verder
2019-06-26

Waaien

zie Blazen.