Wat is de betekenis van waaien?

2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

waaien

waaien - Werkwoord 1. (onpr) (meteorologie) het plaatsvinden van een sterke luchtstroming ten gevolge van drukverschillen in de atmosfeer Er woei een sterke zuidwestelijke wind. Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse woord waien: een klasse 7 ww o.v.t. wieu, in Go...

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

waaien

waaien - regelmatig werkwoord uitspraak: waai-en 1. blazen, lucht verplaatsen ♢ het waait: de bladeren vallen van de bomen 1. laat maar waaien [laat maar zitten, praat er niet meer over]...

Lees verder
2004
2023-01-30
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

waaien

- zoals het waait en draait, zoals het reilt en zeilt.

1997
2023-01-30
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

waaien

De verwensing waai in een knoop! betekent ‘stik (met je zootje), barst, val dood’. De verwensing wordt gebruikt in geval van verontwaardiging, boosheid, woede. Sanders en Tempelaars (1998) noemen ook waai dood! zie wip.

Lees verder
1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Waaien

(waaide of woei, heeft gewaaid), 1. het waait, er is wind: het waait hard, er is een sterke wind; (fig.) het zal er waaien, het zal er onstuimig toegaan; 2. door de wind in beweging zijn: er woei een vuiltje in mijn oog; (zegsw.) met alle winden waaien, met alle partijen meegaan, geen eigen mening hebben; (gemeenz.) laat (dat) maar waaien, bekomme...

Lees verder
1963
2023-01-30
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

waaien

(waaide, heeft gewaaid), (ook:) 1. wannen. De korrels [maïs] laten uitlekken en fijn stampen in een mata (stamper) en malen. De gestampte massa waaien (wannen), dan met water vermengen en zeven (S&S 207). 2. maaien van gras of onkruid met een houwer. Het waaijen (afkappen) van dit hooge wied, bij een' meer droogen bodem, doet reeds...

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Waaien

v., waeije; stevig —, strûze, pûste; het waait met hevige rukken, de wyn skuort, it hellet en skuort; doorbederven, forwaeije; het waait hard, it waeit dat it rikket, it waeit in stoarm, der stiet in stik wyn; naar de kust -de wind, oanwaeijende wyn; van de kust af -de w...

Lees verder
1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Waaien

(waaide of woei, heeft gewaaid), 1. onpers.: het waait, er is wind ; het waait hard, er is een sterke wind ; ‘t het waait uit het Noordoosten ; — daarnaast pers. met de wind die waait als onderw.: er woei een gure Oostenwind; er waait een storm; — (fig.) het zal er waaien, het zal er onstuimig t...

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

waaien

waaide (woei), heeft gewaaid: 1. van de wind: blazen; wind veroorzaken: erg, hard waaien; het waait; 2. door de wind in beweging gebracht zijn: het waaiende doek; het fruit waaide van de bomen, viel af door de wind; zegsw. met alle winden waaien, zich telkens bij de bovendrijvende partij aansluiten; laat (de boel) maar waaien, iets maar laten waaie...

Lees verder
1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

waaien

('wa:iәn) (woei en waaide, heeft gewaaid) 1. wind maken: het heeft vannacht flink gewaaid; er waait een storm. Syn. blazen. 2. door de wind in beweging gebracht worden: de vlaggen -; de appelen van de bomen. ➝ hoofd, wind. 3. gaan, lopen: laat het, hem maar -; gelijk het waait en draait, zoals het nu gaat. ➝ boel, breeveertien. 4. onstuimig to...

Lees verder
1914
2023-01-30
West-Indië 1914

Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië

Waaien

SUR. Zie CACAO.

1911
2023-01-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Waaien

van den Idg. wt. we = waaien. Zie ook Wind.

1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WAAIEN

WAAIEN - (waaide, of woei, heeft gewaaid), wind maken, blazen (van den wind): het waait hard; er waait een storm ; — waaiende verkoelen, lucht aanbrengen door middel van een waaier: zij waaide zich met een zijden waaier; — door den wind in beweging gebracht zijn : de vlaggen waaien van allen kant, wapperen; — het papier waait va...

Lees verder
1898
2023-01-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Waaien

zie Blazen.

1856
2023-01-30
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Waaien

onp. w. 1. Blazen, wind maken. Het Woei een stijve kou. Het zal van nacht fiks waaien. Het Waait een vliegenden storm. Men ziet de winden vaak van alle kanten Waaien, zegt Phenix in Huydecopers Achilles. 't Mag waaien, stil staan, vloeien of ebben, Wie niet waagt, die zal niet hebben. Cats. Spreekwijze: Met alle winden waaien (zich aan...

Lees verder