Synoniemen van Vrucht

foetus, stuk fruit
2019-09-22

Vrucht

Aan de vruchten kent men de boom, men leert iemand kennen door zijn daden. Het spreekwoord aan de vruchten kent men de boom is mogelijk gebaseerd op de woorden in Matteüs 7:15-17: ‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten’ (Matteüs...

Lees verder
2019-09-22

vrucht

vrucht - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt. 2. ongeboren jong van een dier of mens De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk. Verwante begrippen fruit, groente, ooft

Lees verder
2019-09-22

vrucht

vrucht - zelfstandig naamwoord 1. voortbrengsel van boom, struik of plant ♢ peren, appels en noten zijn vruchten 1. de vruchten ervan plukken [er voordeel van hebben] 2. het werpt vruchten af [het heeft resultaat] 3. aan de vruchten kent men de boom...

Lees verder
2019-09-22

Vrucht

Vrucht (De) der planten is de rijp geworden eijerstok, en daar de eijerstokken bij verschillende planten geenszins gelijkvormig zijn, ontwaart men ook in de vruchten eene groote verscheidenheid. De graankorrels van tarwe, rogge, haver enz. zijn evenzeer vruchten als de perzik, appel of peer, hoewel zij in het dagelijksch leven doorgaans zaden worden genoemd. Het door vruchtbladen gevormd omhulsel der zaden draagt den naam van bolster (pericarpium) en bestaat uit de vruchtschil (epicarpium), die...

Lees verder
2019-09-22

VRUCHT

VRUCHT - v. (-en), deel der plant dat uit den stamper (het vruchtbeginsel) ontstaat; inz. eetbaar plantgewas, ooft: veldtuin- en boomvruchten ; sappige, frissche vruchten; vroege, late vruchten ; vruchten inmaken, konfijten ; — (spr.) verboden vrucht smaakt het lekkerst, iets wat verboden, ongeoorloofd is (inz. op het gebied der zonde); aan de vruchten kent men den boom, zie BOOM; — jong van een dier, kind van een mensch, inz. wanneer het nog ongeboren is ; zij voelde de vrucht leven in haar...

Lees verder
2019-09-22

vrucht

vrucht - Het gedeelte van een plant dat bestaat uit het zaad met bijbehorend omhulsel, in het bijzonder wanneer dat omhulsel sappig en moesachtig is.