Wat is de betekenis van Vrucht?

2022
2023-02-02
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

vrucht

1) (1997) (jeugd) (meestal verkleinvorm) meisje. Zie ook voorbeeld onder ‘au revoir kut zonder haar’. • Even een kopje thee naar mijn vruchtje brengen, dan mag ik vanavond hoop ik weer. (Nieuwe Revu, 05/02/1997) 2) (1991) (jeugd) slappe zielige jongen. • (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de...

Lees verder
2020
2023-02-02
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vrucht

Het begrip vrucht heeft 5 verschillende betekenissen: 1) uitgegroeid vruchtbeginsel van een bloem. het uitgegroeide vruchtbeginsel van een bloem dat de zaden bevat en dat soms is samengegroeid met andere bloemdelen, zoals de bloembodem. 2) eetbaar product van veld of tuin. eetbaar product van veld of tuin; landbouwgewas; veldgewas....

Lees verder
2019
2023-02-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vrucht

vrucht - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt. 2. ongeboren jong van een dier of mens De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is e...

Lees verder
2018
2023-02-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vrucht

vrucht - zelfstandig naamwoord 1. voortbrengsel van boom, struik of plant ♢ peren, appels en noten zijn vruchten 1. de vruchten ervan plukken [er voordeel van hebben] 2. het wer...

Lees verder
2000
2023-02-02
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Vrucht

Aan de vruchten kent men de boom, men leert iemand kennen door zijn daden. Het spreekwoord aan de vruchten kent men de boom is mogelijk gebaseerd op de woorden in Matteüs 7:15-17: ‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen dr...

Lees verder
1990
2023-02-02
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

vrucht

vrucht - Het gedeelte van een plant dat bestaat uit het zaad met bijbehorend omhulsel, in het bijzonder wanneer dat omhulsel sappig en moesachtig is.

1981
2023-02-02
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

vrucht

In de plantkunde: na de bestuiving en de daaropvolgende bevruchting ontwikkelt zich uit het vruchtbeginsel de vrucht, die de zaden bevat. Worden de vruchten droog, dan ontstaan doosvruchten (slaapbol). Bestaan de wanden uit één vruchtblad, dat samengevouwen is en bij rijpheid langs de vergroeiingsnaad en langs de hoofdnerf openspringt...

Lees verder
1974
2023-02-02
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

vrucht

ontstaat na bestuiving en bevruchting uit het vruchtbeginsel (of ook uit andere plantedelen). De zaadknoppen ontwikkelen zich tot zaden. Bij cultuurplanten (banaan, sinaasappel) soms geen zaadvorming. Een vrucht dient voor bescherming en soms ook voor verspreiding. Bij schijnvruchten zijn er ook andere plantedelen in opgenomen: bloembodem (rozebot...

Lees verder
1973
2023-02-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vrucht

v./m. (-en), 1. fructus, het uitgegroeide vruchtbeginsel van een plant; rijpe, sappige, frisse vruchten; vruchten inmaken, konfijten; als coll.: zetten; verboden vruchten, iets ongeoorloofds (naar Gen.3,1—6); verboden vrucht smaakt het lekkerst, iets wat verboden is, is altijd aantrekkelijk; 2. ongeboren jong van een dier of mens: zij voelde...

Lees verder
1954
2023-02-02
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Vrucht

(plantk.) noemt men het geheel, dat zich na bestuiving en bevruchting uit de stamper ontwikkelt {echte v.), dus de zaden met de vruchtwand; de andere delen van de bloem verdrogen meestal en vallen af, doch meermalen blijven ook verder uitgroeiende kelk- of kroonbladen, waarbinnen evenwel de echte v. dadelijk als zodanig opvalt. In uitzonderingsgeva...

Lees verder
1954
2023-02-02
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Vrucht

embryo, foetus, zie aldaar.

1952
2023-02-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vrucht

s., frucht; (op het land), dracht, frucht; mislukte, misdracht, -frucht; — geven, jaen; — dragen, drage; geile -en, wrakke fruchten; verboden -en smaken zoet, forbeane biten smeitsje bêst.

Lees verder
1950
2023-02-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vrucht

v. (-en), 1. in plantk. zin het uitgegroeide vruchtbeginsel van een plant: de vrucht van de esdoorn is vleugelvormig ; — in het alg. spraakgebruik ook in toepassing op schijnvruchten (zie ald.) en op nog andere plantendelen (vgl. veldvruchten), inz. zulk een eetbaar product: rijpe, sappige, frisse vruchten ; vroege, la...

Lees verder
1949
2023-02-02
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Vrucht

(Fructus), eigenlijk het vruchtbeginsel dat zich heeft ontwikkeld met de daarin liggende zaden. Ruimer opgevat: alle omhulsels van de zaden, die met deze afvallen, dus ook de bes, de kegels, de schijn-V. De F. bestaat uit zaad en wand. Zij is rijp als de V.-steel loslaat, de V. zich opent en het zaad vrijkomt. Men kent droge en vlezige V. Droge ver...

Lees verder
1937
2023-02-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vrucht

v. -en: 1. deel der plant, ontstaande uit vruchtbeginsel: een besvrucht, boomvrucht, doosvrucht, dopvrucht, peulvrucht, steenvrucht; 2. inz. eetbaar ooft: houdt gij van vruchten? een mand met vruchten; zie boom; de verboden vrucht, hetgeen niet geoorloofd is, zonde; 3. fig. voortbrengsel; resultaat; voordeel, winst: fig. de vrucht van al die arbeid...

Lees verder
1933
2023-02-02
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Vrucht

het gedeelte v/e plant, dat zich na → bevruchting ontwikkelt u/d bloem en bij volkomen rijpheid wordt afgeworpen om dan als kiem v/e nieuwe plant te dienen, v. zoover het niet door mensch of dier als voedingsmiddel wordt gebezigd.

1933
2023-02-02
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Vrucht

1° (Plantk.) V. ontstaat na de →bevruchting uit het vruchtbeginsel van den stamper der bloem. In de v. bevinden zich de zaden. Wordt een v. gevormd zonder voorafgaande bevruchting, dan spreekt men van parthenocarpie. Indien behalve het vruchtbeginsel nog andere bloemdeelen aan de vruchtvorming medewerken (bijv. de bloembodem), dan spreekt...

Lees verder
1930
2023-02-02
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

vrucht

v. (-en; -je) [Lat. fructus] I. Eig. 1. a. Algm. plantedeel dat het zaad bevat : de -en komen het laatst; de heeft zich gezet, het ei ontwikkelt zich tot vrucht. b. meestal mv. Inz. ooft, fruit : -en plukken; een mand met -en ; van -en houden; boom-, steenvruchten; vroege, late -en; -en inmaken, konfijten. Gez. aan de -en kent men de boom, 's...

Lees verder
1929
2023-02-02
Geneeskundige Encyclopaedie 1929

Dr. Ch. Bles

Vrucht

Embryo, Foetus, het bevruchte ei, dat in de baarmoeder reeds tot een zekere ontwikkeling gekomen is. De rijpe eicel in den eierstok bestaat uit een doorschijnend, structuurloos dooiervlies (zona pellucida), een bolvormige, taaie, door vetgehalte sterk lichtbrekende massa, den dooier (vitellus), en het kiemblaasje (vesicula g...

Lees verder
1911
2023-02-02
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Vrucht

van ’t Lat. fructus; van de Romeinen overgenomen. Zie Vlegel.