Synoniemen van Vrucht

2020-02-28

Vrucht

Aan de vruchten kent men de boom, men leert iemand kennen door zijn daden. Het spreekwoord aan de vruchten kent men de boom is mogelijk gebaseerd op de woorden in Matteüs 7:15-17: ‘Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn. Aan hun vruchten zul je hen herkennen. Men plukt toch geen druiven van doornstruiken of vijgen van distels? Zo draagt elke goede boom goede vruchten, maar een slechte boom draagt slechte vruchten’ (Matteüs...

2020-02-28

vrucht

vrucht - Zelfstandignaamwoord 1. (plantkunde) volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt. 2. ongeboren jong van een dier of mens De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk. Verwante begrippen fruit, groente, ooft

2020-02-28

vrucht

vrucht - zelfstandig naamwoord 1. voortbrengsel van boom, struik of plant ♢ peren, appels en noten zijn vruchten 1. de vruchten ervan plukken [er voordeel van hebben] 2. het werpt vruchten af [het heeft resultaat] 3. aan de vruchten kent men de boom...

2020-02-28

Vrucht

Vrucht (De) der planten is de rijp geworden eijerstok, en daar de eijerstokken bij verschillende planten geenszins gelijkvormig zijn, ontwaart men ook in de vruchten eene groote verscheidenheid. De graankorrels van tarwe, rogge, haver enz. zijn evenzeer vruchten als de perzik, appel of peer, hoewel zij in het dagelijksch leven doorgaans zaden worden genoemd. Het door vruchtbladen gevormd omhulsel der zaden draagt den naam van bolster (pericarpium) en bestaat uit de vruchtschil (epicarpium), die...

2020-02-28

VRUCHT

VRUCHT - v. (-en), deel der plant dat uit den stamper (het vruchtbeginsel) ontstaat; inz. eetbaar plantgewas, ooft: veldtuin- en boomvruchten ; sappige, frissche vruchten; vroege, late vruchten ; vruchten inmaken, konfijten ; — (spr.) verboden vrucht smaakt het lekkerst, iets wat verboden, ongeoorloofd is (inz. op het gebied der zonde); aan de vruchten kent men den boom, zie BOOM; — jong van een dier, kind van een mensch, inz. wanneer het nog ongeboren is ; zij voelde de vrucht leven in haar...

2020-02-28

vrucht

vrucht - Het gedeelte van een plant dat bestaat uit het zaad met bijbehorend omhulsel, in het bijzonder wanneer dat omhulsel sappig en moesachtig is.

2020-02-28

Vrucht

1° (Plantk.) V. ontstaat na de →bevruchting uit het vruchtbeginsel van den stamper der bloem. In de v. bevinden zich de zaden. Wordt een v. gevormd zonder voorafgaande bevruchting, dan spreekt men van parthenocarpie. Indien behalve het vruchtbeginsel nog andere bloemdeelen aan de vruchtvorming medewerken (bijv. de bloembodem), dan spreekt men van →schijnvruchten, bijv. aardbei, rozenbottel, vijg. De eigenlijke of ware v. zijn bij de verschillende planten zeer verschillend in vorm e...

2020-02-28

vrucht

v. (-en; -je) [Lat. fructus] I. Eig. 1. a. Algm. plantedeel dat het zaad bevat : de -en komen het laatst; de heeft zich gezet, het ei ontwikkelt zich tot vrucht. b. meestal mv. Inz. ooft, fruit : -en plukken; een mand met -en ; van -en houden; boom-, steenvruchten; vroege, late -en; -en inmaken, konfijten. Gez. aan de -en kent men de boom, 's mensen karakter openbaart zich in zijn daden; de -en van zijn arbeid plukken, er de voordelen van genieten; verboden smaakt het lekkerst, iets wat on...