Vrucht
v. (-en), 1. in plantk. zin het uitgegroeide vruchtbeginsel van een plant: de vrucht van de esdoorn is vleugelvormig ; — in het alg. spraakgebruik ook in toepassing op schijnvruchten (zie ald.) en op nog andere plantendelen (vgl. veldvruchten), inz. zulk een eetbaar product: rijpe, sappige, frisse vruchten ; vroege, la...