Wat is de betekenis van vroomheid?

2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vroomheid

vroomheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: vroom-heid 1. het erg godsdienstig zijn ♢ deze kerkgangers staan bekend om hun vroomheid Zelfstandig naamwoord: vroom-heid de vroomheid

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vroomheid

v., godsvrucht, godsdienstigheid; het vroom-zijn.

1955
2022-10-01
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

VROOMHEID

betekent strikt genomen: godsdienstigheid, graag en goed bidden en met God en goddelijke dingen bezig zijn. Vroomheid moet echt zijn, anders is zij afstotelijk: zij is echt, als zij gepaard gaat met oprechte naastenliefde, wijsheid, rechtvaardigheid, sterkte, matigheid en nederigheid. Vroomheid wordt tegenwoordig ook gebruikt als zuiver Nederlands...

Lees verder
1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vroomheid

s., frommens, frommichheit.

1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vroomheid

v., 1. (vero.) dapperheid; — deugdzaamheid; 2. godsvrucht, godsdienstigheid.

Lees verder
1933
2022-10-01
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Vroomheid

Dit woord wordt in verschillende beteekenissen gebruikt: 1° Oorspronkelijk in het Middelnederlandsch voor flinkheid, dapperheid, in het bijzonder van een ridder; 2° Daarna meer voor flinkheid met betrekking tot God, stiptheid, nauwgezetheid en godsdienstigheid, vooral van levensgewoonten en gebruiken; 3° Nog later voor een meer uitgespr...

Lees verder
1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

vroomheid

('vro:mheit) v.(...heden) 1. Eig. het vroom zijn. Syn.→ braafheid. 2. Metn. vrome daad.

Lees verder
1898
2022-10-01
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vroomheid

zie Deugd.