Vroegtijdig
bn. bw. (-er, -st), 1. vroeg, bijtijds: vroegtijdig opstaan, komen; 2. vroeg in verhouding tot het normale, eerder dan gewoonlijk (komend): vroegtijdige rijpheid; — voorlijk: vroegtijdige juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen (Beets).