Wat is de betekenis van VRIJ?

2020
2021-01-23
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vrij

vrijdag. vrijdag. Voorbeelden: In aanwezigheid van de kunstenaars wordt de expositie geopend door W.J. Vuursteen, ex-burgmeester van Zuidwolde. International Art Gallery, Prinsengracht 16, Meppel. Geopend: do. en vrij. 10.00-17.00 uur; + vrij. 19.00-21.00 uur; zat. 11.00-17.00 uur. De expositie duurt van 8 augustus t/m 5 september. ...

Lees verder
2019
2021-01-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vrij

vrij - Bijvoeglijk naamwoord 1. niet de genoemde tekortkoming hebbend, niet onderhevig aan, ongevoelig voor, zonder b.v. accijnsvrij, loodvrij etc. 2. ongebonden, niet in beweging beperkt 3. beschikbaar 4. gratis 5. niet vallend onder of beperkt door een bepaald gezag, jurisdictie 6. vrijmoedig 7. (van onderwijs) niet van de overheid...

Lees verder
2018
2021-01-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vrij

vrij - bijvoeglijk naamwoord 1. kunnen gaan en staan waar je wilt ♢ hij zat in de gevangenis, maar nu is hij weer vrij 1. zo vrij als een vogeltje in de lucht [heel erg vrij] 2....

Lees verder
2004
2021-01-23
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

vrij

Leenvertaling van Frans ‘libre’: libertijns, ontuchtig. Bijvoorbeeld: die prentjes zijn wel wat vrij. Vermeld door Van Dale.

1997
2021-01-23
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

vrij

Als bijwoord wordt vrij ook gebruikt om de realiteit van een uitspraak, conclusie of mening sterk te bevestigen, kracht bij te zetten. Het betekent ‘voorwaar, waarlijk, zeker, ongetwijfeld’. Het heeft een expressief, exclamatief, affirmatief karakter, en is vandaar ook wel weer te geven met een van de hedendaagse krachttermen als...

Lees verder
1973
2021-01-23
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

vrij

bn. en bw. (-er, -st), 1. zonder belemmering: het vrije veld, die deur moet — blijven; — staan, op zichzelf; (wapenkunde) — kwartier, kwartier van een niet-gevierendeeld schild; — tekenen, niet naar een voorbeeld; vrije oefeningen, alle gymnastische bewegingen die zonder toestellen worden uitgevoerd; een — uitzicht heb...

Lees verder
1950
2021-01-23
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vrij

bn. bw. (-er, -st), 1. zonder iets dat beperkt of afsluit, waarin de beweging niet belemmerd wordt en vand. van bewegingen, zonder belemmering kunnende geschieden : het vrije veld ; de vrije hemel of lucht ; de weg is vrij; (luchtv.) voor vrij? ; een doorgang vrij maken ; (sport) een vrije schoj) ; —...

Lees verder
1898
2021-01-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VRIJ

VRIJ - bn. bw. (-er, -st), zonder alles wat als eene beperking, belemmering, dwang, verplichting gelden kan; hij leeft vrij van zorgen, onbezorgd; een paard vrij van gebreken; vrij van belasting, van schuld, geene belasting, schuld te betalen hebben ; hij heeft vrij vuur en licht, behoeft dat niet te betalen; — vrij wijn en bier, opschrift de...

Lees verder
1898
2021-01-23
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vrij

zie Onafhankelijk.