Voorspellen
I.(spelde voor, heeft voorgespeld), tot voorbeeld spellen, om het te laten nadoen of om te leren kennen : schrijf het woord dat ik u voorspel. II.VOORSPEL'LEN, (voorspelde, heeft voorspeld), voorzeggen, profeteren, bekend maken dat het genoemde bestemd is te gebeuren: Cassandra voorspelde de ondergang van Troje ; — (in verz...