Voorkomen
I. (kwam voor, is voorgekomen), vóór, verder dan iem. of iets anders komen : bij het schaatsenrijen trachtte hij mij voor te komen ; 2. naar voren komen : vader is achter, maar hij zal dadelijk voorkomen ; 3. aan de voorzijde komen: laat het rijtuig voorkomen, voor het huis; 4. voor iem. verschijnen, bep. voor...