Wat is de betekenis van voorgevel?

2020
2021-10-16
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

voorgevel

Het begrip voorgevel heeft 2 verschillende betekenissen: 1) gevel aan de voorkant. gevel aan de voorkant van een gebouw. Zie voor meer combinaties het grondwoord gevel. 2) boezem. borsten van een vrouw; boezem.

Lees verder
2020
2021-10-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

voorgevel

1) (1969) (sch.) boezem. Syn.: balkon*; voorhang*. • Misschien omdat ze aan haar moeder gedacht had. Maar dat wist ik toen nog niet. Van die geamputeerde voorgevel. (Jan Wolkers: Turks Fruit. 1969) • voorgevel: neus, borsten. (Piet Grijs: Blijf met je fikken van de luizepoten af. 1972) • Toen ik mijn arm om haar heen sloeg onder he...

Lees verder
2019
2021-10-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

voorgevel

voorgevel - Zelfstandignaamwoord 1. (bouwkunde) gevel aan de voorkant Antoniemen achtergevel

Lees verder
2018
2021-10-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

voorgevel

voorgevel - zelfstandig naamwoord uitspraak: voor-ge-vel 1. voorkant van een gebouw ♢ in de voorgevel zitten twee grote ramen 1. Thorvald heeft een flinke voorgevel [grote neus] ...

Lees verder
1977
2021-10-16
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

voorgevel

voorgevel - grote boezem.

1973
2021-10-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

voorgevel

m. (-s), gevel aan de voorzijde van een gebouw; (scherts.) hij heeft een goede —, een grote neus.

1952
2021-10-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Voorgevel

s., foargevel.

1950
2021-10-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Voorgevel

m. (-s), gevel aan de voorzijde van een gebouw; — (scherts.) hij heeft een goede voorgevel, een grote neus.

1898
2021-10-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VOORGEVEL

VOORGEVEL - m. (-s), voorzijde (van een gebouw), (ook) bovengevel; — (scherts.) hij heeft een goeden voorgevel, een grooten neus. VOORGEVELTJE, o. (-s).

Lees verder