Voordragen
(droeg voor, heeft voorgedragen), 1.voorleggen, voor iem. uiteenzetten, toelichten: zijn zaak, zijn belangen {aan, bij iem.) voordragen ; 2. voorstellen, inkleden, op zekere wijze vertellen of schilderen : een eenvoudige geschiedenis, die al hare waarde ontleent aan de wijze waarop zij wordt voorgedragen (Potgieter); 3.op de vereiste wijze...