2020-04-07

voordoen

voordoen - onregelmatig werkwoord uitspraak: voor-doen 1. doen om aan anderen te laten zien hoe het moet ♢ kijk goed, ik doe het maar één keer voor! 2. (zich voordoen) plaatsvinden, er zijn ♢ zo'n gelegenheid doet zich niet vaak voor 3. (zich voordoen als) doen alsof ♢ hij doe...

2020-04-07

voordoen

voordoen - Werkwoord 1. (ov) bij wijze van voorbeeld laten zien hoe iets gedaan hoort te worden Hij had het enige keren voorgedaan, maar ze kreeg het niet voor elkaar. 2. (refl) zich ~: komen te gebeuren, zich aandienen Wat er zich daar heeft voorgedaan zal de betrokkenen nog lang heugen. 3. (refl) zich ~ als: impersoneren, een bepaalde indentiteit voorwenden ...

2020-04-07

VOORDOEN

VOORDOEN - (deed voor, heeft voorgedaan), vroeger doen; (spr.) voorgedaan en nabedacht heeft menigeen in leed gebracht, eerst doen en dan denken is recht verkeerd; — voorspelden, voorbinden; een voorschoot voordoen; — doen als voorbeeld voor anderen : iem. iets voordoen; — vertoonen, uitstallen: goed voorgedaan is half verkocht; — zich voordoen, zich voorstellen, zich laten doorgaan voor; — hij weet zich goed voor te doen, hij komt goed voor den dag; — de...

2020-04-07

Voordoen

zie Aandoen.

2020-04-07

voordoen

('vo:r) (deed voor, heeft voorgedaan) I. 1. vroeger doen. 2. voorbinden, voorspelden : een servet -. Syn. →: aandoen. 3. doen als voorbeeld voor anderen : de kinderen leren ook van -; iemand iets -. 4. vertonen, uitstallen : goed voorgedaan is half verkocht. II. zich 1. zich voorstellen : hij kan zich netjes -. 2. zich laten doorgaan voor : zich als een rijkaard -. 3. voorkomen : de gelegenheid doet zich nu voor. Syn. →: aanbieden (zich). 4. gebeuren : het volgende heef...