Wat is de betekenis van VOLVOEREN?

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Volvoeren

(volvoerde, heeft volvoerd), ten uitvoer brengen, volbrengen : een last, een plan volvoeren.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

volvoeren

volvoerde, h. volvoerd (uitvoeren, volbrengen): een daad volvoeren, een last volvoeren.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

volvoeren

(volvoerde, heeft volvoerd) geheel uitvoeren: een last -. Syn.➝ bewerken.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VOLVOEREN

VOLVOEREN - (volvoerde, heeft volvoerd), uitvoeren, volbrengen : een last volvoeren. VOLVOERING, v. het volvoeren.

1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Volvoeren

zie Bewerken.