Vlerk
v. (-en), 1. vleugel van een vogel: de roofvogels hebben lange vlerken ; — (fig.) de vlerken Uiten hangen, moedeloos neerzitten ; — vleugel van een vogel om mee te wissen, wiek ; 2. (plat) arm : hij pakte hem bij zijn vlerk : blijf er met je vlerken af, met je handen; 3. (m.) (gemeenz.) onbeleefde kerel, ki...