Vissen
(viste, heeft gevist), 1. vis vangen of trachten te vangen (met enig instrument): met de hengel, met het werpnet vissen ; naar kabeljauw vissen ; (bij uitbr.) uit het water ophalen of trachten te halen ; parels, barnsteen, sponzen vissen ; naar het anker, de kabel, een drenkeling vissen ; — scherts, ook met...