Vet
bn. (-ter, -st), 1. rijk aan de substantie in het 2de art. genoemd, het tegengest. van mager: vet vlees; vette melk, vette kaas ; — vette olie, niet-vluchtige ; — (van personen en dieren) weldoorvoed en daardoor veel vet (II) hebbende: een vet varken', zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees (...