Wat is de betekenis van VERTREKKEN?

2024-07-19
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-07-19
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vertrekken

vertrekken - Werkwoord 1. ergatief weggaan. We waren de dag daarvoor vertrokken. 2. ergatief van gelaatstrekken van uitdrukking veranderen Zijn gezicht vertrok van woede. vertrekken - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van h...

2024-07-19
Historische collectie Nederland

Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (2019)

vertrekken

Kamer, oorspr. de ruimte vanwaaruit men vertrok naar een grotere ruimte.

2024-07-19
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

vertrekken

vertrekken - onregelmatig werkwoord uitspraak: ver-trek-ken 1. het een andere uitdrukking geven ♢ hij vertrok zijn mond tot een grijns 2. van deze plaats vandaan gaan ♢ als iedereen klaar is, ve...

2024-07-19
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

vertrekken

Uitgaan (van een standpunt, een beginsel, een vermoeden e.d.). Ik vertrok van het vermoeden dat onze taal ouder moest zijn dan het Latijn en het Grieks, Gazet v. Antw. 5/7/1977.

2024-07-19
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vertrekken

v.; (afreizen), fortrekke, ôfreizgje, fortsjen, fuorttsjen, fuortstekke, ôfsette, ôfstekke, fuortgean, fuortreitsje; heimelijk —, fuortstrike, útstrike, útkrosse, útpike, útpykje; te voet —, ôfstappe, traepje; helpen te —, fuortskikke, -h...

2024-07-19
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-07-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vertrekken

(vertrok, heeft en is vertrokken), 1. (w. g.) anders trekken, trekkende van plaats doen veranderen : vertrek de tafel iets; — 2. een andere uitdrukking, een andere (inz. dan de gewone) stand doen aannemen : de mond tot lachen, tot een grijns vertrekken; het gezicht vertrekken ; het lachje, dat weer schalks haar mond vertrok (Sta...

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-07-19
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vertrekken

vertrok, h. (1), i. (2, 3) vertrokken (1 anders trekken; 2 afreizen; 3 een plaats verlaten, verhuizen): 1. zijn gezicht niet vertrekken; hij vertrok geen spier; 2. met de trein, een boot vertrekken, u kunt vertrekken, weggaan; 3. vertrokken personen; vertrokken van A. naar M.