Wat is de betekenis van VERTREKKEN?

2019
2021-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vertrekken

vertrekken - Werkwoord 1. ergatief weggaan. We waren de dag daarvoor vertrokken. 2. ergatief van gelaatstrekken van uitdrukking veranderen Zijn gezicht vertrok van woede. vertrekken - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van h...

Lees verder
2018
2021-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vertrekken

vertrekken - onregelmatig werkwoord uitspraak: ver-trek-ken 1. het een andere uitdrukking geven ♢ hij vertrok zijn mond tot een grijns 2. van deze plaats vandaan gaan ♢ als iedereen klaar is, ve...

Lees verder
1973
2021-12-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vertrekken

(vertrok, heeft en is vertrokken), 1. anders trekken: de mond tot een grijns —; hij vertrok geen spier (van zijn gelaat), hij liet niets van zijn gevoelens blijken; 2. afreizen: wij — morgen; je kunt —, weggaan; 3. een plaats verlaten, verhuizen: uit zijn woonplaats —; met de noorderzon —, verhuizen zonder dat iemand h...

Lees verder
1952
2021-12-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vertrekken

v.; (afreizen), fortrekke, ôfreizgje, fortsjen, fuorttsjen, fuortstekke, ôfsette, ôfstekke, fuortgean, fuortreitsje; heimelijk —, fuortstrike, útstrike, útkrosse, útpike, útpykje; te voet —, ôfstappe, traepje; helpen te —, fuortskikke, -h...

Lees verder
1950
2021-12-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vertrekken

(vertrok, heeft en is vertrokken), 1. (w. g.) anders trekken, trekkende van plaats doen veranderen : vertrek de tafel iets; — 2. een andere uitdrukking, een andere (inz. dan de gewone) stand doen aannemen : de mond tot lachen, tot een grijns vertrekken; het gezicht vertrekken ; het lachje, dat weer schalks haar mond vertrok (Sta...

Lees verder
1937
2021-12-05
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vertrekken

vertrok, h. (1), i. (2, 3) vertrokken (1 anders trekken; 2 afreizen; 3 een plaats verlaten, verhuizen): 1. zijn gezicht niet vertrekken; hij vertrok geen spier; 2. met de trein, een boot vertrekken, u kunt vertrekken, weggaan; 3. vertrokken personen; vertrokken van A. naar M.

Lees verder
1900
2021-12-05
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

vertrekken

Kamer, oorspr. de ruimte vanwaaruit men vertrok naar een grotere ruimte.

1898
2021-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VERTREKKEN

VERTREKKEN - (vertrok, heeft en is vertrokken), anders trekken, trekkende van plaats doen veranderen : vertrek de tafel iets ; — uit zijn gewonen stand trekken : den mond tot lachen, tot een grijns vertrekken; (fig.) hij vertrok geen gezicht, hij liet niets van zijne inwendige gewaarwording blijken; zijn mond is geheel vertrokken, scheef ; &...

Lees verder
1898
2021-12-05
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vertrekken

zie Afreizen.