Vertonen
(vertoonde, heeft vertoond), 1. laten zien, tonen : een paspoort, een wissel vertonen ; hij vertoonde ons zijn schatten ; — de processtukken vertonen, overleggen ; — aan den dag leggen, doen blijken of doen zien : hij vertoonde geen spoor van verbazing, van vrees ; het lijk vertoont -sporen van geweldpleging; — voorstellen...