Wat is de betekenis van verstand?

2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

verstand

verstand - Zelfstandignaamwoord 1. kennis, weten Ik heb geen verstand van brommers. 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein) Hij kon daar met zijn verstand niet bij. Antoniemen onverstand

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

verstand

verstand - zelfstandig naamwoord uitspraak: ver-stand 1. vermogen om te denken en te begrijpen ♢ dat meisje heeft een goed verstand 1. gebruik je verstand! [denk na] ...

Lees verder
1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Verstand

o., 1. begrip, bevattingsvermogen, inzicht : hebben dieren verstand ? dat gaat mijn verstand te boven, daar kan ik met mijn verstand niet bij, daar staat mijn bij stil, dat snap ik niet; gebruik toch je verstand! wees verstandig; praten naar men verstand heeft, naar men het begrijpt (alleen in ongunstige zin) ; zijn verstand verliezen, gek worden;...

Lees verder
1965
2022-09-28
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

VERSTAND

het vermogen om volgens bepaalde logische regels conclusies te trekken uit geverifieerde en bevestigde gegevens. → Intellect, Intelligentie.

1955
2022-09-28
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

VERSTAND

(Lat.: intellectus) is het vermogen van de mens om de zijnden te verstaan d.w.z. naar hun wezen te begrijpen. Daarnaast zoeken wij echter ook te verklaren waarom de zijnden zijn wat zij zijn: de grond van zijn en wezen der zijnden: hun bewerkende oorzaak, hun doeloorzaak, hun beeldoorzaak. Het menselijke verstand heeft geen intuïtie van het we...

Lees verder
1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Verstand

s.n., forstan (it), bigryp (it); hij heeft een goed —, der sit wol hwat by (him), yn (him); weinighebben net heech timmerje, fleane; iem. met weinig —, in gebou sûnder fordjipping; een helderhebben, in goed oardiel in kleare kop hawwe; goed bij zijn...

Lees verder
1951
2022-09-28
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Verstand

verstand, oordeel; geest, mening, begrip; nicht ganz bei Verstand sein, niet goed bij zijn verstand zijn; in diesem Verstande, in deze zin, in dit opzicht, met dien verstande; ohne Verstand, (ook) buiten bewustzijn; zu Verstande kommen, tot de jaren des onderscheids komen.

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Verstand

1.o., vermogen om te verstaan, denkvermogen, bevatting: hebben dieren verstand? iem. met een goed, een alledaags verstand ; — gezond verstand, zie Gezond ; dat gaat mijn verstand te boven, daar staat mijn verstand bij stil, dat snap ik niet; — hij heeft een klinkend verstand, (ook) hij draagt zijn verstandin zijn zak, omdat hij rijk is,...

Lees verder
1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

verstand

o. in bet. 2 verstanden (1 begrip, doorzicht, bevatting; 2 iemand met verstand in bet. 1): 1. zijn verstand gebruiken, a) zich geestelijk inspannen, b) naar rede luisteren; hij heeft veel gezond verstand; hij heeft zijn verstand verloren; iem. iets aan het verstand brengen; verstand van iets hebben b.v. van schilderijen; dat gaat mijn verstand te b...

Lees verder
1936
2022-09-28
Drs. P. Wijkema

Encyclopedie voor Ziel- en Opvoedkunde

Verstand

zie intelligentie.

1933
2022-09-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Verstand

Het hoogere geestelijk kenvermogen, dat den mensch specifiek eigen is en hem in staat stelt de dingen te verstaan en te begrijpen, d.w.z. het wezenlijke daarvan te kennen. Voor zoover het dit onmiddellijk kent, spreekt men van ➝ intellect; voor zoover middellijk, d.w.z. langs den weg eener redeneering, van rede. Tusschen intellect en rede bestaat d...

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

verstand

(vər'stant) o. (-en; -je) A. [< verstaan II 1 a] I. Eig. het verstaan, begrijpen : het komt niet voor de jaren. Gez. dat gaat mijn te boven, ik begrijp dat niet; een hebben als een garnaal, zogoed als geen verstand hebben; iemand iets aan zijn brengen, het hem doen begrijpen, inzien; met dien -e dat, onder die voorwaarde dat, mits; niet we...

Lees verder
1916
2022-09-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Verstand

Verstand - zie DENKEN.

1908
2022-09-28
Vivat

Schrijver op Ensie

Verstand

zie Denken.

1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VERSTAND

VERSTAND - o. begrip, doorzicht, inzicht, bevatting : iem. met een gezond, een alledaagsch verstand ; dat gaat mijn verstand te boven, dat snap ik niet; — hij heeft een klinkend verstand, (ook) hij draagt zijn verstand in den zak, omdat hij rijk is, meent hij ook alles te begrijpen en geeft men hem doorgaans gelijk ; — geen greintje ve...

Lees verder
1898
2022-09-28
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Verstand

zie Geest.

1870
2022-09-28
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Verstand

Verstand (intellectus) noemt men een zekeren trap van doorzigt en ook van technische bekwaamheid. In het eerste geval wordt aan dengene verstand toegekend, die in staat is den inhoud van ’t geen hem wordt voorgehouden te begrijpen en met juistheid op te vatten zonder dien door subjectieve meeningen te vervalschen. In het laatste geval heet men den...

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Verstand

Verstand, o. gmv. begrip, doorzigt, geest, bevatting; het gezond (gewoon) -; vernuft; kennis, wetenschap; zijn - gaat kuijeren (is verdwaald); aan het - brengen, doen begrijpen; een groot -, een man van groot vernuft; (regt.) met dien -e, onder die voorwaarde, mits. *-ELIJK, bn. en bijw. met verstand; tot het verstand behoorende, † intellect...

Lees verder