Wat is de betekenis van Vers?

2024-02-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

vers

(2006) (jeugd) leuk, goed: 'Die film is vers.' • (Prisma miniwoordenboek 'Drop your lyrics'. 2006)

2024-02-23
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vers

vers - Bijvoeglijk naamwoord 1. nieuw, net gemaakt, recent Deze krant is vers van de pers. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren Dit is verse vis met verse groenten. vers - Bijvoeglijk naamwoord 1. paritief van de stellende trap van ver...

2024-02-23
Poetry International Rotterdam

Poezië en taal begrippen

Vers

Een vers is één regel van een gedicht, die typografisch als versregel herkenbaar is doordat hij niet, zoals de prozaregel, de hele breedte van de bladspiegel inneemt.

2024-02-23
Bijbels Lexicon

Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2017)

Vers

Titel met hoofdstuk- en versnummer, bijvoorbeeld Regeerakkoord 18, vers 4 (zie hieronder), verwijzing in de vorm van een verwijzing naar een bijbeltekst, gebruikt als men de onfeilbaarheid of het belang van een tekst wil benadrukken. Dit is een parodie op het verwijzen naar een tekst in de bijbel. Het dikke boekwerk dat de bijbel is, is opgebouwd u...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-23
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

vers

vers - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. niet lang geleden gemaakt of gebeurd ♢ hij geeft een verse reactie in dat artikel 1. wat nog vers in het geheugen ligt [pas gebeurd is] ...

2024-02-23
Culinair van a tot z

Peter Joh. M. Zuidweg (2016)

vers

Uitdrukking voor: a. Rauw b. Pas geslacht c. Niet oud d. Nieuw ​

2024-02-23
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

vers

(bn.) - verse kleren/lakens enz., schone kleren/lakens enz. - verse kaas, kwark? plattekaas. Ga net zo te werk; voor een gladde vulling moet de verse kaas meestal eerst door een zeef worden gewerkt. - DM, 13-09-2002. - vers geld, nieuw investeringskapitaal. Dat kan gaan van het investeren van veel vers geld tot het opdoeken...

2024-02-23
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

vers

1. één regel van een gedicht, versregel; 2. ook een heel gedicht wordt vaak in misprijzende zin een vers genoemd.

2024-02-23
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

vers

1. Van kleren, tafellinnen e.d.: schoon, in de bet.: gewassen, niet vuil; ook van luiers, hoewel thans veelal: nieuw (in plaats van ‘gewassen’). Hij ... nadert de tafel die gedekt is ..., spreidt de verse servet wijdopen over zijn buik, en roept: ‘De soep’ De soep! TEIRLINCK 1952, 2, 6. Na de middag kwam Henk onvermijdelijk...

2024-02-23
Kerkelijk woordenboek

Professor mag. dr. J.B. Kors o.p. (1967)

Vers

liturgische formule, aanroeping,wensch enz., die in het kerkelijk → officie veelvuldig voorkomt, en waarop met een → responsorium geantwoord wordt.

2024-02-23
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

vers

bn., (ook:) 1. pas geknipt (persoon). Hé, je bent vers! 2. gedroogd (bonen, erwten e.d.). - Opm.: In bet. 2 gebr. ter onderscheiding van 'uit blik’.

2024-02-23
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

vers

sinsnede uit ‘n hoofstuk; digreël, gedig; jong koei wat nog nie gekalf het nie.

2024-02-23
Frans woordenboek (FR-NL)

Dr. F.P.H. Prick van Wely (1952)

Vers

I. versregel, vers; vers alexandrin, zie grand vers; vers blancs, rijmloze verzen; grand vers, alexandrijn [vers v. 12 lettergrepen]; vers libre, vrij vers; vers métrique, metrisch vers; vers syllabique, syllabisch vers; faire des vers, verzen maken, dichten; en vers, in verzen, op rijm; mettre en vers, in verzen bezingen, berijmen. II. naar...

2024-02-23
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vers

s.n., fers (it).

2024-02-23
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Vers

vers, versregel; ich kann mit keinen Vers daraus (darauf) machen, ik begrijp er niets van.

2024-02-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vers

bn. (-er, -t), 1. nieuw, fris, pas gegroeid, uitgekomen, pas geslacht, gevangen, gebakken, geplukt enz.: verse eieren; Vers vlees, verse vis, haring; verse groenten, vruchten ; verse oesters ; vers brood, bier ; vers water, dat nog niet lang gestaan heeft; verse sneeuw, pas gevallen ; verse lucht, frisse lucht, n...

2024-02-23
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Vers

(Lat. versus, rij, regel), in de dichtk. de metrische eenheid, gevormd door enige maten of voeten; van nature begrensd door de adempa.uze van degeen die voordraagt. In het alg.: gedicht van niet te grote omvang. Ook noemt men de onderdelen der hoofdstukken van de Bijbelboeken verzen.

2024-02-23
Kramers woordentolk

Jacon Kramers Jz (1948)

vers

o. regel v. e. gedicht: (doorgaans:) verzenkoppeling, afdeling v. e. gedicht (couplet, strophe, s t a n z e): gedicht, dichtstuk.

2024-02-23
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

VERS

(Lat.: versus, van vertëre, wenden) heeft oorspronkelijk dezelfde betekenis als versregel, zoals behandeld onder metriek. Later werd de term ook de aanduiding van een strofe of een couplet en ook van een geheel gedicht, meest van kleine omvang. Voor het vers als literatuurvorm z proza en poëzie. Voor de vormelementen...

2024-02-23
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vers

I. o. verzen, versje (1 zeker aantal versvoeten, een versregel; 2 gedicht van kleinere omvang; 3 korte zinsnede, [genummerd] onderdeel van een hoofdstuk uit de Bijbelboeken): 1. de proloog van Gijsbr. v. Amstel telt 162 verzen; in verzen geschreven; 2. een verjaarvers; kind, leer het vers nu! de versjes van Heije; 3. hij las uit Lukas 10 het 21e ve...