Verlopen
I. ww. (verliep, heeft en is verlopen), 1. met lopen doorbrengen, besteden : ik heb met al die boodschappen een hele middag verlopen ; 2. zich verlopen, verkeerd. lopen, aan het dwalen raken ; eert. ook fig.: zich in de wijn verlopen, zich er aan te buiten gaan ; 3. een goede gelegenheid verlopen, missen doordat men op...