Vegen
(veegde, heeft geveegd), 1. door strijken met een bezem, borstel enz. van stof en vuil reinigen, resp. met die instrumenten werken : de straat vegen : stof van de tafel vegen ; de meid. moet vegen ; — oneig. ook van de wind die dorre bladeren enz. wegblaast; — de schoorsteen vegen, van roet zuiveren door er e...