Vak
o. (-ken), 1. (bouwk.) vlak, omsloten door de houten stijlen of ribben van een wand of muur: het vale naast de deur; — vlak. ruimte tussen de balken van een zoldering, tussen de ribben van een gewelf: een zoldering met vakken; 2. (bij uitbr.) onderdeel van een wand die door beschilderen met banden, behangen, of betimmeren met s...