Wat is de betekenis van vak?

2019
2021-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vak

vak - Zelfstandignaamwoord 1. beroep 2. ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak 3. schoolvak, leervak Uitdrukkingen en gezegden ♦ Een oude rot in het vak (zijn) alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen Synoniemen [1] beroep, baan...

Lees verder
2018
2021-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vak

vak - zelfstandig naamwoord 1. plat vlak, begrensd door rechte lijnen ♢ hoeveel vakjes heeft een dambord? 2. hokje in een kast of la ♢ in dit vak horen de messen 3. onderwerp...

Lees verder
1990
2021-09-26
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

vak

vak - De opening waar de schietspoel doorheen kan en die men creëert door een aantal scheringdraden op te tillen.

1976
2021-09-26
Yoga lexicon

Verklarend handwoordenboek

VAK

spraak.

1973
2021-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

vak

o. (-ken), 1. door rechte afgrenzingen ingesloten deel van een vlak: de vakken van een dambord; (bouwkunst) door (houten) stijlen of ribben ontsloten deel van gewelf, wand of muur: het — naast de deur; 2. deel van een indeling, die op allerlei manieren tot stand gekomen kan zijn, b.v. van een dijk, kanaal, rivier, strand, spoorbaan, brug enz....

Lees verder
1952
2021-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vak

s.n.; (bedrijf), fak (it); (afgesloten ruimte), fek (it), fak (it); zijngoed verstaan, goed yn ’t fak sitte.

1950
2021-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Vak

o. (-ken), 1. (bouwk.) vlak, omsloten door de houten stijlen of ribben van een wand of muur: het vale naast de deur; — vlak. ruimte tussen de balken van een zoldering, tussen de ribben van een gewelf: een zoldering met vakken; 2. (bij uitbr.) onderdeel van een wand die door beschilderen met banden, behangen, of betimmeren met s...

Lees verder
1933
2021-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Vak

centrale Ledental (1 Jan. 1937) In % v. h. totaal (1 Jan. 1937) Ledental (1 April 1938) N.V.V. 283.400 39,16 302.259 R.K.W. 168.100 23,23 177.322 C.N.V. 108.200 14,96 113.231 N.V.C. 44.600 6,16 45.719 De kleinere vakcentrales zijn: Nationaal Arbeids Secretariaat (N.A.S.) met 11 530 leden (1,57 °/0); Ned. Syndicalistisch Vakverbond (N.S.V.) met...

Lees verder
1900
2021-09-26
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

vak

Eenheid van indeling van een bouwvlak of -lichaam, gevat tussen constructief belangrijke delen, die meestal dragend zijn. B.v. een muurvak tussen lisenen of steunberen, een gewelfvak tussen pijlers of zuilen of tussen gordel- en scheibogen ( travee). Ook een kapvak tussen de gebinten van een kapconstructie of tussen de stijlen van een vakwerkbouw e...

Lees verder
1898
2021-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VAK

VAK - o. (-ken), afgesloten, begrensde ruimte, open plek, inz. hokje in eene lade, doos of kast om verschillende voorwerpen afgezonderd te bewaren : de muur is met vakken geschilderd; eene zoldering met vakken; vak in een muur; — (bouwk.) ruimte tusschen de balken eener zoldering; — (zeew.) ruimte tusschen de spanten; — eene doo...

Lees verder