Wat is de betekenis van vaar?

2020
2022-05-16
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vaar

angst; vrees; schrik. angst; vrees; schrik. Het woord is sinds de zeventiende eeuw niet meer in gebruik, maar is in België wel bewaard gebleven in een aantal vaste verbindingen met daarin de combinatie "vaar noch vrees" of "vaar of vrees".

Lees verder
2020
2022-05-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

vaar

1) (17e eeuw) (inf.) vader. Vgl. moer*. • Het was er erg armoedig, de ouwe vaar van een van die mokkels waar we thuis waren bleef gewoon op z'n nest liggen toen ik z'n dochter op de grond lag te fleppen. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968) • Je vaar… om hem heb ik geen traan gelaten. (Catalijn Claes: Steenze...

Lees verder
2019
2022-05-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vaar

vaar - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen ♢ Ik vaar 2. gebiedende wijs van varen vaar! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen vaar je?

Lees verder
1993
2022-05-16
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Vaar

onbevrucht (van koeien)

1977
2022-05-16
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

vaar

vaar - mannelijk lid; eig. ‘vader’. Wrsch. gebezigd in tegenstelling met moer ‘baarmoeder’. Eener (= iemand, H.) seer met de opstyging van de Vaar gequelt zijnde, ging by een Barbier om raad, De Geest v. Jan Tamboer 35 [1656].

Lees verder
1973
2022-05-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vaar

I.m., samentrekking van: vader. II. o., vair. III.bn., gust, niet drachtig: een koe vaar houden.

Lees verder
1952
2022-05-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vaar

adj., fear.

1950
2022-05-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vaar

I. VAAR m., samentrekking van vader, daarnaast als verkl. II. VAAR m., (veroud.) angst, schrik; thans nog in Z.-Ned. in de verb. : man zonder vaar noch vrees. III. VAAR (<Lat.), o., (lierald.) voering, uit klok- of schildvormige vakjes, beurtelings van zilver en azuur samengesteld. IV. VAAR zie varent (II). V. VAAR bn., (v...

Lees verder
1937
2022-05-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vaar

I. v. (vrees, gevaar, angst): hij kent vaar noch vreze; vero.; verg. vervaard. II. v. varen (vaarschroef); verg. moer. III. bn. (gust, onbevrucht); vare koeien. IV. m. (vader) zie vaartje.

Lees verder
1933
2022-05-16
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Vaar

onbevrucht; vare koe of vaars, jonge koe v. 7 maanden tot 2 jaren.

1916
2022-05-16
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Vaar

Ronde schroefbout.

1898
2022-05-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Vaar

Het begrip vaar heeft 5 verschillende betekenissen: 1. vaar - VAAR - bn. (van wijfjesdieren) onbevrucht, gust: vare koeien. 2. vaar - VAAR - m. (veroud.) angst, gevaar: man zonder vaar noch vrees. 3. vaar - VAAR - v. (varen), vaarschroef. 4. vaar - VAAR - m. samentrekking van vader. VAARTJE, o. (-s), vadertje; (spr.) het heeft, is een aartje naa...

Lees verder