Wat is de betekenis van vaak?

2019
2022-06-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vaak

vaak - Zelfstandignaamwoord 1. de slaap vaak - Bijvoeglijk naamwoord 1. vele malen Synoniemen dikwijls meestal Verwante begrippen nooit, ooit, soms, gedurig, gewoonlijk, menigmaal, veel, veelal, veeltijds, veelvuldig

Lees verder
2018
2022-06-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vaak

vaak - bijwoord 1. op veel momenten, veel keren ♢ ik ga vaak op vakantie naar het buitenland Bijwoord: vaak Synoniemen dikwijls, frequent, meermaals, meermalen, menigmaal, regelmatig, veel, veelvuldig Tegenstellingen weinig

Lees verder
2015
2022-06-25
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

vaak

(behoefte aan) slaap (informeel) ‘En zij was zo schoon in die rijkemensenkleren,’ zegt Marieke Bleecker, worstelend tegen haar vaak. (Louis Paul Boon, De bende van Jan De Lichte) Belgisch-Nederlandse Standaardtaal Gangbaarheid: 7 Vlaamsheid: 1

Lees verder
1973
2022-06-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vaak

bw. (vaker, -st), dikwijls.

1952
2022-06-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vaak

adv., faek, faken, faek-en-folle, faeken-dikmels, gauris, jamk, follentiids, helt-fan-tiid; — genoeg, te , fakernôch.

1950
2022-06-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vaak

I. VAAK m., g. mv., (in N.-Ned. inz. in litt. en gew. t.) behoefte aan slaap, neiging tot slapen: vaak krijgen, hebben ; de vaak uit de ogen wrijven.; Klaas Vaak komt, de kinderen krijgen slaap ; praatjes voor de vaak, nietsbeduidende praatjes; — (Zuidn.) vaak tussen de tanden hebben, honger hebben. II. VAAK I. bw. (vak...

Lees verder
1937
2022-06-25
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vaak

I. m. (neiging tot slapen; slaap): praatjes voor de vaak houden, beuzelpraatjes; Klaas Vaak, man uit het sprookje, die kinderen slaapzand in de ogen werpt. II. bw.; vaker, het vaakst (dikwijls).

Lees verder
1898
2022-06-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Vaak

Het begrip vaak heeft 2 verschillende betekenissen: 1. vaak - VAAK - m. geneigdheid tot slapen; vaak krijgen, hebben; Klaas Vaak komt, de kinderen krijgen slaap; (spr.) vaak is het oorkussen der vermoeidheid; praatjes voor den vaak, nietsbeduidende praatjes. 2. vaak - VAAK - bw. (vaker, -st), dikwijls: ik kom er vaak.

Lees verder
1898
2022-06-25
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vaak

zie Dikwijls.