Wat is de betekenis van vaak?

2020
2020-10-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vaak

vaak - Zelfstandignaamwoord 1. de slaap vaak - Bijvoeglijk naamwoord 1. vele malen Synoniemen dikwijls meestal Verwante begrippen nooit, ooit, soms, gedurig, gewoonlijk, menigmaal, veel, veelal, veeltijds, veelvuldig

Lees verder
2015
2020-10-30
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

vaak

(behoefte aan) slaap (informeel) ‘En zij was zo schoon in die rijkemensenkleren,’ zegt Marieke Bleecker, worstelend tegen haar vaak. (Louis Paul Boon, De bende van Jan De Lichte) Belgisch-Nederlandse Standaardtaal Gangbaarheid: 7 Vlaamsheid: 1

Lees verder
1994
2020-10-30
Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

vaak

vaak - bijwoord 1. op veel momenten, veel keren ♢ ik ga vaak op vakantie naar het buitenland Bijwoord: vaak Synoniemen dikwijls, frequent, meermaals, meermalen, menigmaal, regelmatig, veel, veelvuldig Tegenstellingen weinig

Lees verder
1916
2020-10-30
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

vaak

bw. (vaker, -st), dikwijls.

1898
2020-10-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vaak

zie Dikwijls.

1898
2020-10-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Vaak

Het begrip vaak heeft 2 verschillende betekenissen: 1. vaak - VAAK - m. geneigdheid tot slapen; vaak krijgen, hebben; Klaas Vaak komt, de kinderen krijgen slaap; (spr.) vaak is het oorkussen der vermoeidheid; praatjes voor den vaak, nietsbeduidende praatjes. 2. vaak - VAAK - bw. (vaker, -st), dikwijls: ik kom er vaak.

Lees verder