Uitval
m. (-len), I. het uitvallen; in ’t bijz. 1. offensieve handeling van de verdediger buiten het front van zijn stelling tegen de aanvaller, inz. aanval der belegerden op de belegeraars; — (schermk.) beweging bestaande in: de rechtervoet dicht langs de grond vooruitbrengen, het linkerbeen strekken en de rechterarm uitstrekken, om de tegen...